MIJN DIENSTTIJD ALS ZEEMILICIEN BIJ DE KON. MARINE
Nadat ik op 8 januari 1963 bij Radio-Holland ontslag had genomen, was het wachten op een oproep voor militaire dienst. Ik wist al enige jaren dat het de Marine zou worden, maar er kwam geen bericht van Defensie, terwijl er verhalen de ronde deden dat ze je als het ware stonden op te wachten, zodra je voet aan wal zette. Gelukkig had ik het restant verlof bij R.H. uitbetaald gekregen en we hadden uitgerekend dat we er drie maanden van konden rondkomen. Na tweeeneenhalve maand besloot ik zelf maar eens bij 'Den Haag' aan de bel te trekken, want ergens solliciteren terwijl je op het punt staat voor militaire dienst te worden opgeroepen is ook zinloos.
Ze zouden me terugbellen en inderdaad, er bleek zelfs haast bij te zijn. Een groepje telegrafisten (de 15e groep al), dat gehoopt had direct na de zeevaartschool naar zee te kunnen, was alsnog in de kraag gepakt, al eerder gekeurd en gepland in dienst te komen, twee weken na mijn telefoontje. Daar zou ik dan aan worden toegevoegd. Ik had dus net op tijd gebeld en moest de week erop twee dagen naar het Marine Opleidingskamp (MOK), gelegen naast het vliegveld Hilversum om te keuren en een psychologische test te ondergaan.
De eerste keuringsdag verliep zonder problemen. 's Nachts bleek ik op de een of andere manier een acute kou te hebben gevat, óf ik had iets verkeerds gegeten. In elk geval begon ik plotseling hevig over te geven, terwijl ik notabene nog sliep. Het gebeurde op een slaapzaaltje, waarbij de jongen in het bed onder me ook niet blij was, want een deel van de maaginhoud trof ook hem. Ik wist niet wat me overkwam. Al gauw werd ik met een ziekenauto naar het hospitaaltje gebracht, waar ik ook nog koorts bleek te hebben. Nu is het bij de Marine de gewoonte, dat je minstens drie dagen koortsvrij moet zijn, alvorens ze je weer vrijlaten. Dat kwam slecht uit, want de toestand gebeurde in de nacht van woensdag op donderdag en ik wist ook al dat ik op maandag aan de opleiding zou beginnen. In de loop van de eerste ziektedag mankeerde ik al niets meer, maar ze waren niet genegen mij naar huis te laten gaan.
Met een adjudant ziekenpa, die als wachtchef in het hospitaal dienst deed, raakte ik ’s avonds in gesprek en ik pleitte voor mijn verblijf thuis, tot maandag. Ik kon de man ook mededelen dat mijn echtgenote in de verpleging zat en dat mijn schoonvader toevallig een gepensioneerd collega adjudant ziekenpa was. Dat laatste interesseerde hem en toen hij vroeg wie mijn schoonvader dan wel was, bleek hij destijds door pa te zijn opgeleid! Toen kon niets meer verhinderen dat ik weg mocht en ik moest de hartelijke groeten overbrengen.
Maandag 29 april 1963 meldde ik me wederom in Hilversum en voegde me bij mijn bak (klas) KTC nr.15 (korporaal-telegrafist met certificaat) op de kaderschool. Het internationale certificaat hadden we dus al, dit in tegenstelling tot marinetelegrafisten. Met dit document op zak kwamen we direct op de kaderschool en werden geschikt geacht, binnen zeer korte tijd op te klimmen naar de rang van korporaal, een rang die normaal alleen door beroeps kon worden gehaald, wat in de regel pas na zes jaar gebeurde. We konden dan ook wel een potje breken, want we behoorden immers meteen al tot het kader der serieuzen. En aan die koopvaardijofficieren hadden ze best wel geïnteresseerde klanten.
Wat ons wel ergerde, was dat stuurlieden de officiersrang van Luitenant ter Zee 3e klasse meekregen, terwijl wij in het matrozenpak moesten ronddartelen. KTC15 bestond uit de volgende (zeeklare) jongelui:Jaap van Dijk, Ko Hirdes, Derk Gotink, Hans Janus, Bernd Ilgen, Joost Schuitemaker, Hans van Strien en ikke, acht piepels dus.
Ik was de enige en dus ook de oudste, die de koopvaardij al weer achter me had liggen, terwijl de anderen ondanks de teleurstelling, optimistisch edoch reikhalzend, uitzagen naar de laatste dag in dienst. We konden uitstekend met elkaar overweg en ook met de onderofficier bootsman, onze klasseleraar. Opnieuw leerden we lopen, de Wet op de Krijgstucht, schildwacht, wapens (Garandgeweer, UZI-machinepistool), schieten, rangen en standen, en nog veel meer, kortom, op zich best een interessant pakket. Een overjarige korporaal der Mariniers, iemand die het in principe wel voor gezien hield, omdat hij toch nooit meer een rang erbij zou krijgen, leerde ons lopen op het exercitieterrein. Hij was een uitermate geschikte peer en had gevoel voor humor; echt iemand om jongens zoals wij les te geven. Toch kon hij niet voorkomen dat een fanatieke rondspeurende luitenant der Mariniers, verzot op een kans iemand voor paal te zetten, Hans Janus aansprak: "Je houdt je geweer niet goed vast. Geef eens hier." Hans gaf zijn geweer af. De officier haalde het uit elkaar en legde de onderdelen voor zijn voeten op de grond. "Je had je geweer nooit af moeten geven," zei hij hatelijk en vervolgde zijn weg. We hebben er sportief om gelachen, ook het slachtoffer. En dan was er de ouderdag waarop ouders en partner waren uitgenodigd om de vorderingen te aanschouwen:
IN DEN ARM .... GEWEER!!
V.l.n.r.: Schuitemaker, mijnenprikker Van Gorcom, ik zei de gek, rechts midden Ilgen, rechts achteraan Van Strien.
Toen we verondersteld werden als zelfstandige groep naar het cafetaria te kunnen marcheren, onder leiding van een van ons, overkwam het me dat ik tijdens het begeleiden niet meer wist hoe je als militair linksafslaan noemt. De lange Schuitemaker liep voorop en de kleine van Strien achteraan. Ik liep ruim tevoren al te verzinnen hoe het toch heette wat ik moest gaan roepen. De T-kruising op de wandelweg kwam onherroepelijk naderbij. Ten einde raad raadpleegde ik mijn maten, maar één riep zacht: "Niks zeggen." Ze weigerden antwoord te geven en onderdrukten met grote moeite de voorpret die was ontstaan op weg naar linksaf. Nog enkele meters... "Linksaf... mars!" commandeerde ik. Gegiechel. Schuitemaker bleef rechtdoor lopen. "Toe nou hé, ga nou linksaf!" riep ik vertwijfeld. Het gegiechel klonk luider en onverstoorbaar marcheerde mijn 7-mans peloton op de T-kruising de struiken in. Een Kapitein ter Zee met vier goudgalons naderde en bekeek glimlachend het tafereel. Zo hadden ze me mooi te pakken en ik weet nu nog steeds niet dat je moet commanderen: "Met rotte links .... mars!"
De eerste zes weken waren we superminderjarig. Dat betekende dat we niet eens het weekend naar huis mochten. Aangezien ik gehuwd was en kostwinner, kon ik het er totaal niet mee eens zijn. Ik maakte er werk van bij het 'hoofd der school', LTZ2OC Gonggrijp en uiteraard werd mijn wens het weekend naar huis te gaan meteen gehonoreerd. Van de inentingen werd Jaap van Dijk behoorlijk ziek. Het bleek ook nog eens dat hij niet kon zwemmen en in het zwembad van Crailo, waar we ook wel eens naar toe moesten, was hij verplicht zwemles te nemen. We hadden wel meer uitjes. Bepakt en bezakt over 's Heeren Wegen naar de Loosdrechtse plassen, om vandaar met een BM-sloep naar Muiden te roeien. En dan had je nog patrouille Hollandsche Rading, waar je als een soort MP de maten van de trein moest halen om ze keurig en zonder incidenten met de truck naar het MOK te laten vervoeren. Patrouille op de nabijgelegen heide was ook best leuk. Schildwacht lopen hoefden wij niet, maar wel waren we commandant schildwacht en marcheerden met hen naar diverse posten langs de hekken van het kamp. Normaal gesproken was daar niets te beleven, maar het verhaal ging dat meisjes uit de omgeving aan de buitenkant van het hek een 'praatje' kwamen maken.
Op de school moesten we ook een spreekbeurt houden. Mijn onderwerp was navigatie. Hoewel dit niet mijn eigen vak was, lag het er in de praktijk dicht tegenaan. Gewapend met zeekaarten leerde ik de jongens al vast de weg op zee te vinden met alles wat er zoal op een zeekaart te zien is. De bootsman van wie we alle theorielessen kregen kon dit wel waarderen. Na een aantal maanden deden we examen en kregen we onze strepen: twee rode v's op de mouw (telegrafist eerste klasse). Vervolgens afscheid van Hilversum. Toen twee weken naar Den Helder, naar de ABCD-school. Niet om het alfabet te leren, maar om te weten wat je moet doen bij A (atoomaanval), B (biologische oorlogvoering), C (chemische oorlogvoering) en D (damage control). Damage control is het herstellen van schade aan de scheepsromp. Daartoe stond er een nagebouwde sectie van een schip op het terrein, met gaten die gestopt moest worden, terwijl er een hoeveelheid water naar binnen werd gepompt. In een bunker werd het Coxboutpistool gedemonstreerd: een handkanon waarmee je met bouten centimeters dikke stalen platen aan elkaar kon schieten, teneinde gaten te dichten. In diezelfde bunker konden we aan den lijve ervaren wat traangas is en hoe je dan zo snel mogelijk je gasmasker moet opzetten. Maar nog was de opleiding niet voltooid. We waren nog steeds geen NATO-telegrafist en daar waren we toch uiteindelijk voor in dienst gekomen. Dus op naar de Verbindingsschool (VBS) in Amsterdam, tegenover het Marinepaleis op Kattenburg. Eindelijk waren we waar we wezen wilden. Het morse seinen en opnemen werd qua snelheid opgevoerd en we leerden gelijk met de schrijfmachine opnemen tot tenminste 22 woorden per minuut. Met de schrijfmachine bleek handiger dan met de hand meeschrijven. Je merkte dat je tijd over had tussen de geseinde letters. Ons Rijkscertificaat 2e klasse eiste slechts 16 wpm, zodat je nu iets had waarmee je eenmaal op zee, echt mee uit de voeten kon. Het afstemmen van zenders en ontvangers was ook mooi meegenomen. Onze leraar, majoor telegrafist Sam Bremer, kon bij ons ook niet stuk, evenals zijn collega maj. Henk Schrier die ook zendamateur was. Met de laatste maakte ik verbinding toen ik later op het weerschip zat. Ja, wat leraren betreft hadden we het steeds uitstekend getroffen, en dat gaf ons de bevestiging dat de Kon. Marine niet zo onredelijk en fanatiek militair bleek te zijn als wel eens in den lande werd voorgesteld.
Op een dag werden we op de school vereerd met een bezoek door prinses Beatrix. Omgeven door de nodige paniek, waardoor niemand door de gang mocht lopen en het zelfs niet toegestaan was naar de wc te gaan, kwam HKH met haar gevolg in onze klas. Wij zaten zenders af te stemmen en te seinen, deden alsof, maar ze was niet achterlijk. "Dit is niet echt, hè?" stelde ze vast. Haar parfum stonk behoorlijk, het leek wel een Zuidamerikaans parfum. Ik herkende het van de gezellige kroegjes aldaar. Gelukkig was hare Beasteit gauw weer verdwenen en kon iedereen opgelucht adem halen en dat is niet (?) dubbelzinnig bedoeld.
Op het terrein van de VBS stond een slaapgebouw, geschikt voor 400 personen op een grote zaal. Ook daar liepen we 's avonds en 's nachts wacht als provoost, om de orde te handhaven. Op een van die avonden, 22 november 1963 kwam het bericht dat president Kennedy was vermoord.
Het afmarcheren naar het cafetaria was inmiddels routine geworden en het "met rotte links (of rechts) ... mars!" was niet van de lucht. Een beroeps, korporaal-telegrafist Peter Heesbeen (zie gastenboek), verzamelde groepjes om af te marcheren, en als er luitjes van onze KTC15 bij waren, bedankte hij aan het eind van het traject als volgt: "Matrozen bedankt, koopvaardijofficieren bedankt" zodat de anderen nog eens omkijkend, met vraagtekens in de ogen, hun weg vervolgden.
De radiovoorschriften volgens de NATO regels leken logisch, maar voor mij als ex koopvaardij’er erg omslachtig en dus helemaal niet logisch. Want bij de elektronische oorlogvoering (EOV) werd geleerd dat de vijand elk radiosignaal analyseert, zodat ze al gauw weten welk schip en zelfs welke telegrafist zich op dat moment laat horen. De zender van een schip bevat nl. karakteristieke eigenschappen, een soort dna, en het seinschrift van telegrafisten is ook niet helemaal hetzelfde. Dus zou je zeggen: laat je juist zo min mogelijk horen en als je bezig bent, doe het dan kort en effectief, zoals we bij de koopvaardij vanzelf al deden. Maar volgens de voorschriften, vervat in o.a. Allied Communication Publication nr. 124 (ACP 124), moest je een oproep verplicht driemaal doen; ook al wist je dat je op de lip zat van je tegenstation. Flauwekul dus en ik liet weten hoe het er bij de koopvaardij toegaat. Maar 'lekker werken' mocht nu eenmaal niet. Toch was ik zó gewend aan mijn eigen stijl, dat ik later vaak in het foutenlijstje zou voorkomen, maar dat kon me geen barst schelen. Dit lijstje kwam van het militaire meeluisterstation Koudekerk op Walcheren.
Ook kregen we Engels van een raar mannetje, een burger die ingehuurd was. Hij deed erg bekakt en kon ook niet erg orde houden. Hij hanteerde zinnen om te vertalen, die steeds weer herhaald werden. Uiteraard kwam je deze zinnen ook weer op het examen tegen, en dus slaagde iedereen; logisch als deze leraar zijn reputatie v.w.b. het slagingspercentage hoog wilde houden. Na een paar dagen liepen we met een rode E boven de rode v's op de linkermouw: brevet Engels. Toen deden we eindexamen en na ruim anderhalf jaar samen in één klas, gingen onze wegen zich scheiden, elk naar zijn eigen operationele bestemming. We mochten onze voorkeur opgeven. Ik koos voor NORA, Noordwijk Radio, het K.M.-kuststation voor de schepen. De anderen wilden eindelijk wel eens de zee op en kozen voor een schip. Toen waren er nog het vliegdekschip Karel Doorman, de jagers van de provincieklasse, de twee kruisers Zeven Provinciën en De Ruyter, onderzeeboten, mijnenvegers en ander klein spul. Ik meen dat Joost Schuitemaker ook voor NORA koos. Omdat Jaap van Dijk in Sommelsdijk woonde, koos hij voor het zenderpark van NORA op Goedereede.
Inmiddels waren we bevorderd tot korporaal, een rang die normaal uitsluitend door beroeps te behalen was, met twee gele v's op de mouw en de rode E van Engels. NORA lag in de duinen bij Noordwijkerhout en viel administratief onder het Marine Vliegkamp Valkenburg bij Katwijk. Bij de Luchtmacht heet het basis, bij de Marine heet het kamp en/of inrichting. Op een dag moesten Joost en ik naar het Vliegkamp. Wij meldden ons bij de slagboom als korporaal telegrafist zm (zeemiliciën) en ons marinenummer. “Dat kan niet,” antwoordde de zelfverzekerde sergeant van de wacht; “dienstplichtig korporaals bestaan niet bij de marine.” Nou, we waren het toch ècht, al kwam onze rang/zm maar weinig voor. De wachtsman ging telefoneren en na verloop van tijd bleek dat korporaal/zm bij de marine toch wel bestond. Het voedsel werd dagelijks vanuit Valkenburg met de truck bezorgd. Bij de ingang van het duinterrein buiten het dorp was een slagboom met Vopo's. Deze heren waren burgerpersoneel in uniform van het Marine Bewakingskorps, maar werden door ons Vopo's (Oostduitse Volkspolizei) genoemd. Aan de poort van meerdere walinrichtingen kwam je ze tegen. Mijn vader was er ook zo een. Hij bewaakte munitiebunkers van de Marine in IJmuiden en Spaarndam.
Het werk op NORA (officieel: Goeree Naval Radio/PBC) was hetzelfde als op Scheveningen Radio/PCH, alleen minder druk; zoveel schepen had Hare Majesteit nou ook weer niet. De militaire discipline bestond hooguit uit de 'parade commandant', de dagelijkse inspectie van je kleding voordat je naar huis mocht. Er was een boek aanwezig, waarin lijsten van alle officieren en onderofficieren en hun aantal dienstjaren vermeld, zodat ze konden uitrekenen wie er op het punt van bevordering stond, het 'ellebogenboek' genoemd. En natuurlijk was er de vlaggenparade: het hijsen van de vlag in de ochtend en het strijken bij zonsondergang. We liepen er drieploegendienst. Een cyclus begon b.v. als volgt: maandag late dienst, dinsdag vroege dienst, gevolgd door nachtdienst. Dus op woensdag uit de nacht naar huis en vrijdagmiddag weer terugkomen voor de late dienst, enz. De vrije dagen waren dus door het verspringen ervan in elke week verschillend. Een prima regeling.
In hetzelfde gebouw was ook een radiostation (PHK) ondergebracht dat door de Rijksluchtvaartdienst werd beheerd. Er zaten telegrafisten die de verbinding met de weerschepen op de uit- en thuisreis onderhielden en nog enige vaste verbindingen met stations in het buitenland pleegden. Dat interesseerde me wel en in mijn vrije tijd ging ik er wel eens langs om wat meer te weten te komen over hun werkwijze. Naarmate de diensttijd op NORA verstreek, kreeg ik een probleem, want ik wilde bij Scheveningen Radio gaan werken, maar daar was geen vacature. Ik kon ook beroeps bij de Marine worden, maar daar had ik geen trek in. Een telegrafist van PHK adviseerde me bij de Rijksluchtvaartdienst te solliciteren als telegrafist op de weerschepen Cirrus en Cumulus, want ze maakten vaste reizen van vijf weken, met drie weken verlof en het vaarschema werd voor telkens anderhalf jaar al vastgesteld. Dat klonk beter dan wat ik bij Radio-Holland had meegemaakt en na overleg met mijn echtgenote besloot ik een poging te wagen.
Operationeel gebouw. Linkerhelft PHK van de Rijksluchtvaartdienst, rechterhelft PBC van de Kon. Marine.
The shortwave naval radio station in the dunes near Noordwijkerhout.
Ik werd aangenomen en werd verzocht op te geven wanneer ik beschikbaar zou zijn. Ik maakte er een spoedzaak van, want ik had vernomen wanneer de Cumulus, een nieuw schip (b.j. 1963) zou vertrekken. Het andere weerschip, de Cirrus was een omgebouwd fregat, oud en vrijwel versleten, dus daar voelde ik niet zoveel voor. Commandant Ltz Taekema en de Kon. Marine verleenden medewerking en al in december 1964 kon ik met Groot Verlof, ofwel afzwaaien, onmiddellijk gevolgd door een loopbaan aan boord van het Ocean Station Vessel weerschip Cumulus, dat in samenwerking met andere weerschepen voor ICAO, op diverse posities op de Atlantische Oceaan zijn meteorologische dienst uitvoerde en verbindingen onderhield met de vliegtuigen. Ik maakte drie reizen tot mei 1965 en kon toen toch in dienst bij Scheveningen Radio. Daar werkte ik zeven jaren. In 1972 toch weer teruggekeerd naar de weerschepen tot 1981.
Vier van de acht klasgenoten van KTC15 zijn elkaar op zee nog tegengekomen: Jaap van Dijk was radiotelegrafist bij Redwijs Baarn na zijn periode bij Radio-Holland. Redwijs was een bedrijf dat schepen van verkoper naar koper voer. Dat kon van alles zijn: van een Amsterdamse rondvaartboot over zee naar de nieuwe eigenaar varen, tot grote schepen. Jaap kreeg het landingsvaartuig Adri27 /YBJH. Dat moest in Argentinië worden opgehaald en naar Djakarta gevaren. Inmiddels waren ze in de Indische Oceaan, toen Jaap's kortegolfzender in de fik vloog. De middengolfzender deed het nog. Een telegram naar Nederland lag te wachten op verzending. Jaap zocht op de 500 kHz een Nederlands schip om het telegram te laten overnemen en verzenden. Hij kreeg antwoord van de PHTO (Straat Soenda). En wie bleek de telegrafist te zijn? Joost Schuitemaker! Toen Jaap in de buurt van Djakarta kwam begon het schip te zinken. SOS uitgezonden en hulp afgewacht in de reddingsvlotten. Een reddingshelicopter bracht de crew veilig aan wal. Daar hadden ze nou weken voor gevaren en wég schip!
Een andere ontmoeting tussen twee klasgenoten mag ook niet onvermeld blijven. Dat overkwam Ko Hirdes. Hij zat op de Adonis van de KNSM. Dit schip zat in februari 1966 in een zware storm op 300 mijl WZW van Bretagne, kreeg machineschade en dreef stuurloos. Ko stuurde namens de kapitein een spoedbericht op de noodfrequentie uit en verzocht om sleepboothulp. De sleepboot Utrecht van Bureau Wijsmuller bood no cure no pay aan en ging erop af. En wie was de telegrafist? Derk Gotink! Toen de klus was geklaard, bracht Ko in veilige haven een bezoek aan ervaren Derk in diens radiohut. Hij was weer helemaal opgekikkerd en merkte 'fijntjes' op: "Mijn radiohut is veel groter." Nou, wie wel eens de radiohut van een zeesleper heeft gezien, zal bevestigen: mijn wc thuis is een ietsie kleiner dan deze radiohut. Maar een sleepbootmarconist is er reuze trots op en zonder hem valt er nu eenmaal weinig te verdienen!
Joost Schuitemaker heeft het langst gevaren van 1965 tot 1994. Hij woont al tig jaren in Zuid-Afrika. Hij is zendamateur ZS5S met home page: http://zs5s.net


