Bij het zien van de verschrikkelijke beelden op het eiland Haïti in het Caraïbisch gebied als gevolg van een aardbeving, kwamen bij mij herinneringen naar boven uit mijn koopvaardijtijd. In 1948 kwam ik namelijk met het m/s Oberon voor het eerst op dit eiland om in Port-au-Prince lading te lossen.
Echter ter inleiding allereerst het volgende.
Na terugkomst in Nederland van mijn eerste reis als R/O op de Johan van Oldenbarnevelt/PFEB uit het toenmalige Nederlands-Indië in januari '48 met in aansluiting daarop 14 dagen walverlof, werd ik door Radio Holland aangewezen om tezamen met een KNSM bemanning naar Glasgow af te reizen om aldaar op de scheepswerf Sunderland de nieuw afgebouwde Oberon over te nemen.
Na een proefvaart en het bekende afleggen van de gemeten mijl inclusief het calibreren van het scheepskompas en radiorichtingzoeker voeren wij half februari met dit schip de Atlantische Oceaan op met als bestemming New York. Het schip voer in ballast, had dus geen lading en was mondjesmaat geproviandeerd want in Engeland was evenals in ons eigen land alles nog op de bon, echter bier en jenever was in ruime mate aanwezig! Het was bar en bar slecht weer op de Atlantic met golven van 12 à 13 meter hoog, dus het schip ging flink te keer met als gevolg dat een deel van de bemanning waaronder ook ikzelf behoorlijk zeeziek was. Kapitein Nijhof had daar echter geen boodschap aan en had mij opdracht gegeven om vrijwel continu weerberichten te nemen en dat viel natuurlijk helemaal daarboven in het schip gezeten bepaald niet mee. Ik zat eigenlijk meer dood dan levend in mijn d.m.v. een spiksplinternieuwe Marconi Oceanspan radioinstallatie uitgerustte radiohut en als het maar enigszins kon dook ik even mijn kooi in. De chef hofmeester – een oude zeerot die ook tijdens de 2e wereldoorlog had gevaren – gaf mij toen de raad elke dag een paar glaasjes jenever te drinken en vervolgens daarbij goed te blijven eten en ziedaar, binnen enkele dagen was mijn zeeziekte verleden tijd.
Toen we in New York arriveerden bleek dat een kleine 400 klinknagels uit de scheepsromp verdwenen waren en belandden we met het schip in het droogdok van Bethlehem Steel. We bleven dus langer dan de bedoeling was in de haven van New York liggen en dat gaf mij in ieder geval de unieke kans om wat van deze stad te zien. De KNSM had inmiddels besloten dat de Oberon/PGLE ingezet zou worden in de z.g. sneldienst New York-Caraïbisch gebied waaronder ook Venezuela en Suriname, onderweg ook elders nog diverse havens aanlopend o.a. met name Port-au-Prince op Haïti. In deze hoofd- en tevens havenstad bevond zich ook het radiokuststation Port-au-Princeradio met als roepletters HHH. Dit kuststation stond destijds ervoor bekend dat het heel slecht uitluisterde en slechts zeer sporadisch er toe overging om te antwoorden. En dat heb ik geweten, want op mijn talrijke aanroepen om QTP te geven werd helemaal niet gereageerd en toen we de haven binnenliepen leek de hele stad uitgestorven.
Na het afmeren aan de kade besloot ik om eens poolshoogte te nemen bij het kuststation om beleefd te vragen waarom ze op mijn aanroepen geen antwoord hadden gegeven. Het kuststation bevond zich vlak bij het havengebied, dus op loopafstand zeg maar en het duurde dus niet lang of ik arriveerde bij het toegangshek dat wijd open stond, geen portier te bekennen was en mij deed besluiten om maar door te lopen. Aangekomen bij het gebouw was nog steeds geen sterveling te zien, sterker nog ook in het gebouw zelf was helemaal niemand. De 500 kHz (in die tijd nog 600 meter) was onbezet evenals andere bedieningsposten terwijl ze wel ingeschakeld waren. Ik had in feite zo achter het toestel kunnen gaan zitten, maar besloot echter een rondje door het gebouw te maken om mezelf maar rond te leiden. Na ruim een uur vond ik het wel genoeg en keerde terug naar het schip, waar het lossen van de lading inmiddels was begonnen.
Intussen was het humeur van onze scheepskok tot het nulpunt gedaald, want er was uit zijn kombuis van alles gestolen, voornamelijk etenswaren. Het kombuis bevond zich namelijk aan het gangboord bakboordzijde, had aan die kant diverse patrijspoorten die naar boven scharnierden en d.m.v. haken aan het plafond open konden blijven staan en dat was wel hard nodig want het was bloedheet in de scheepskeuken. Telkens als er een havenwerker langs kwam verscheen er een arm door de patrijspoort opening en verdween er weer wat uit het kombuis. Maar onze kok was letterlijk en figuurlijk niet voor één gat te vangen want hij had de volgende dag een bijzonder geraffineerd plan bedacht. De haken van een viertal patrijspoorten had hij namelijk d.m.v. een ingenieus koordsysteem met elkaar verbonden en de rest laat zich raden. Er werd in ieder geval niet meer gestolen, het humeur van onze 4-sterren kok weer wat opgekrikt en na de nodige kritiek onzerzijds zelfs verklaarde best bereid te zijn geweest het een ander te geven......... als ze erom hadden gevraagd! Toch nog een klein hartje deze van oorsprong Amsterdamse kok, maar hij had tóen eens moeten weten wat er nu allemaal in zijn geboortestad aan de hand is.
Wat ik me verder nog kan herinneren is, dat ik naderhand de stad ben in geweest en in een park heb rondgewandeld waar thans overlevenden van de aardbeving zijn neergestreken en op hulp wachten. Thans na 61 jaar na dato is er op het eiland Haïti eigenlijk helemaal niks veranderd, het is een bananen republiek gebleven met een bevolking die nog steeds in grote armoede leeft.
Ik heb diep en diep medelijden met de Haïtianen en ik hoop van ganser harte dat de hulp die nu geboden wordt het land zo goed mogelijk erboven op zal helpen en wat mij betreft mag de VN voor zover ze het al niet doen blijvend toezicht houden en nog veel meer, want zelf kunnen deze eilandbewoners het kennelijk niet en dat is bijzonder triest. Het feit dat deze mensen bovendien in een gebied wonen waar twee aardkorsten over elkaar schuiven, maakt dat de toekomst er zo wie zo weinig rooskleurig uitziet.
Frans de Vries.


