www.scheveningenradio.nl

Old stations never die, they just fade away...

Wednesday
Feb 08th
Text size
  • Increase font size
  • Default font size
  • Decrease font size

Willemsoord Gonio

Zorg, dat je erbij komt….


De eerste januari 1950, begon mijn loopbaan bij het radiopeilstation Willemsoordgonio/PBW
in Huisduinen, Den Helder. Deze dienst resulteerde onder het Loodswezen. Voor mij was het een compensatie voor de dienstplicht. Ik was ingedeeld als ARO (aspirant reserve officier), maar hoefde toen niet in actieve dienst. Ik werd wel uitbetaald als Adelborst 1e klasse, toen nog de laagste rang van officier bij de Koninklijke Marine.

WillemsoordGonio 1 WillemsoordGonio 2

Tijdens mijn opleiding ontmoette ik in de vakanties de toenmalige chef van het station. Ik liep dan met hem zijn wachten en leerde aldus al aardig wat van de praktijk.

Na mijn examen in september 1949 bleef ik met deze chef diens wachten meelopen. Begin december vroeg hij mij een gunst, namelijk tijdelijk in dienst te komen, tot de chef Radio-officier van de Willem Barentz weer thuis was. Deze woonde eveneens in Den Helder en –als vriend van de chef van Willemsoordgonio had hij te kennen gegeven met varen te zullen ophouden en op het peilstation te willen werken. Hij kon echter niet eerder dan 1 augustus 1950 beginnen. Tot zo lang zou ik voor hem invallen. Mijn ouders voelden wel voor dit idee, want dan zou ik in ieder geval nog een ruim half jaar thuis zijn.

Het zal omstreeks begin februari 1950 zijn geweest. Ik herinner me, dat ik de nachtdienst had, welke liep van 'smiddags 16:00 gmt tot de andere morgen 08:00 gmt. Het was koud, er lag behoorlijk wat sneeuw, maar in het peilstation was het behaaglijk warm. De wind was oost 4-5.

De wacht was rustig, er viel weinig te peilen, want het was helder weer. Ik had de luisterwacht op de 500 kHz, hetgeen wilde zeggen, dat ik verantwoordelijk was voor de vier radiopeilstations, namelijk Hoek van Hollandgonio/PBH, IJmuidengonio/PBY en Terschellinggonio/PBT. Deze luisterwachten werden door Scheveningenradio ingesteld.

Plotseling –het was een uur of 3 in de nacht- ging de telefoon van de rechtstreekse verbinding met PCH. Men vroeg mij de mijnendienst te verwittigen over de melding van een Belgische trawler, welke een mijn had opgevist. Ze hadden de mijn nu aan dek liggen, maar niemand had de behoefte het ding te benaderen.

Ik belde de mijnendienst op en vroeg naar de officier van de wacht. Men deelde mede, dat deze lag te slapen. Ik liet ze weten, dat het jammer voor hem was, maar dat ze hem dan maar moesten porren en hem vragen aan de telefoon te komen. Wel, de goede man kwam met een wat minder vriendelijke stem aan de draad en vroeg of het nu wel nodig was, dat hij werd lastig gevallen. Ik deelde hem mede, dat hij officier van de wacht was en dat hij na zijn wacht alle tijd had om plat te gaan. Hierop werd hij nog wat minder vriendelijk, maar toen ik hem de toedracht had laten weten, moest hij toch wel toegeven, dat hij de aangewezen persoon was. Ik kreeg toen van hem te horen, dat ik de Belg moest mededelen, dat hij de mijn maar weer overboord moest zetten. Mijn antwoord hierop leek hem niet te bevallen, omdat ik zei, dat die Belg geen van zijn mensen in de buurt van het onding liet komen. Voorts, dat het zijn verantwoording was, als er ten gevolge van zijn antwoord ongelukken zouden gebeuren.

Ik liet hem weten, dat ik Scheveningenradio zou vragen de Belg op zijn werkfrequentie de kustwacht Huisduinen te roepen voor nadere orders. Ik belde de kustwacht en zei hem, dat hij door een Belg zou worden geroepen, die een mijn aan dek had en dat ik met de officier van de wacht van de mijnendienst in verbinding stond. De frequentie, waarop het verkeer zou worden afgewikkeld, gaf ik aan de officier van de wacht door, zodat ook hij kon meeluisteren.

Wel, de Belg kwam prompt op zijn werkfrequentie en vroeg de kustwacht wat hem te doen stond. De kustwacht deelde hem de beslissing van de officier van de wacht van de mijnendienst mede.

Het antwoord van de schipper van de Belgische trawler kwam onmiddellijk: "Zeg diejen meneer maar, dat hij naor de kloten kon lopen". De kustwacht hoefde de boodschap niet eens door te geven, want de meneer had alles luid en duidelijk verstaan.

Er zat niets anders op, dan de Belg naar de rede van Den Helder te laten komen. Hij werd verzocht in het Molengat standby te houden. Een mijnenveger met een opruimingsploeg zou hem tegemoet komen en zou de ploeg bij hem aan boord brengen.

Mijn wacht zat er al op, toen ik de trawler in het Molengat kon zien. Ook de mijnendienst was paraat. De opruimingsploeg werd overgezet en die gingen de mijn demonteren.

De volgende dag belde ik de betreffende officier, die ik had gesproken tijdens mijn wacht op. Ik vroeg hem, hoe het was gelopen met de Belgische trawler. Hij antwoordde een beetje zuur. De opruimingsploeg had de mijn inderdaad gedemonteerd en toen de deksel was losgeschroefd bleek het ding vol zand te zitten. Die goede Belg had dus een reeds onklaar gemaakte mijn opgevist….

Ik kon het niet laten te lachen. Ik zei tegen die officier, dat ik het jammer voor hem vond, maar dat mijn wacht wel zeer snel was omgevlogen.


Hans Polak
Oss, 29 september 2001