www.scheveningenradio.nl

Old stations never die, they just fade away...

Wednesday
Feb 08th
Text size
  • Increase font size
  • Default font size
  • Decrease font size

Molenkerk

7 dec 1959 - 5 april 1960

t.s. MOLENKERK

Verenigde Ned. Scheepvaart Mij. (VNS), ‘s-Gravenhage. REG.: PGAZ  Radiostation: RCA 4U.  Victory turbineschip 2 General Electric turbines, 6000 apk.
7651 brt / 10.800 dwt. Snelheid: 15 knopen. Holland-Bombay-Karachi Lijn van de VNS.

1963 verkocht naar Taiwan en omgedoopt "Hwa Lee". 1964 als "Harriet Victory". 7-7-1970 te Taiwan gesloopt.

Rotterdam - Duinkerken - Marseille (Fr.) -  Port Said (Eg.) - Aqaba (Jordanië) - Port Soedan (Soedan) - Aden (Jem­en) – Karachi (Pak.) - Bombay (India) - Porbandar (India) - Karachi - Aden - Suez - Port Said - Le Havre - Rotterdam - Hamburg - Kopenhagen - Stettin (Polen) - Hamburg.

Dit 19'jarige jochie ben ik

. - - .   - . - .   . . . .      - . .   .      . - - .   - - .    . -     - - . .      - . -

Ik heb nu m'n vaste boot. Zo zeg je dat, als je meer reizen met hetzelfde schip gaat maken.
Voor 't eerst de Straat van Gibraltar gezien. Het is een zonnige middag. De bekende rots aan bakboord in de zon en de zwarte bergen van Marokko in de schaduw aan stuurboord. Het is vrij druk met schepen in de Straat. Dolfijnen wachten ons op en buitelen bij de boeg met ons mee de Middellandse Zee in. De Navy-seinpost van Gibraltar roept ons op met de morselamp: Wie? Waar naar toe? We houden de Spaanse kust aan en heel ver weg zie je de donkere contouren van de Sierra Nevada met sneeuw op de toppen.


Gibraltar

Op de grote reis (er zijn kustreizen van 10-14 dagen en grote reizen van gemiddeld 3 maanden), zamel ik de post van de bemanning in en deel post van thuis uit in de havens. Naar het postkantoor aan de wal gaan hoort er bij. Alle telegrafisten doen dat: "Jij hebt toch niks te doen, Sparks", wordt er altijd gezegd; "jij bent er toch alleen maar voor de Wet". Ach, overdreven is het wel, maar als ze je nodig hebben voor telegrammen naar en van thuis, ben je zó'n peer. Maar toch ... Er was eens een marconist die zich in zijn eer aangetast voelde, maar om te jennen en ter illustratie van de beweringen de volgende spreuk in zijn radiohut had opgehangen:

IN FEBRUARI HAD IK NIETS TE DOEN,
MAAR IN MAART VERZOND IK 2 TELEGRAMMEN
EN ONTVING ER 1.

's Ochtends, nog ongeveer 50 mijl tot Marseille, breekt er een storm los: een mistral uit de Franse bergen. In no time zijn de golven af en toe even hoog als de brug en de telegraaf staat op slow ahead. Ik moet verbinding maken met Scheveningen en Marseille, maar bemerk bij het afstemmen van de zender dat de 12 ampère, die door de antenne behoren te vloeien sissend en knetterend naar 'aarde' verdwijnen. Er moet kortsluiting zijn in de antenne, die hoog tussen de masten over het schip is gespannen. Het schip stampt en slingert behoorlijk bij de hoge aanschietende zee en het zicht is slecht. In het toch hoge stuurhuis doen ze af en toe verschrikt een stap achteruit, als water tegen de ramen slaat. De centrifugeruiten staan aan. Ik ga naar buiten om te kijken wat er met de antenne aan de hand is en zie dat de reserveantenne is gebroken. Hij ligt over de hoofdantenne bovenop het stuurhuis en maakt dus kortsluiting. De stuurman dringt er op aan dat ik een zwemvest omdoe als ik naar boven ga. In hevige buien en met een gierende wind om me heen, slaag ik erin de noodantenne los te krijgen.

Marseille, dec 1959.

Bootsman Karel Udo overkomt een ongeval aan dek bij het onderhoud van de sloepsdavits. Uit de staaldraadtrommel van de davits, waarin de sloepen hangen, steekt een stukje van de draaiende winchas. Hij staat er per ongeluk tegenaan, terwijl de as niet alleen zijn broek stukdraait, maar ook zijn huwelijksgereedschap om zeep helpt. Naar het ziekenhuis. We zijn er allemaal ontdaan van. Er wordt een nieuwe bootsman overgevlogen. Karel is later aan de gevolgen van het ongeval toch overleden. In het hospitaal ga ik met nog een paar bemanningsleden een spuit tegen de tropische ziekte gele koorts halen. Het spul is goed voor 5 jaar. De winchassen van de davits worden voorzien van beschermdoppen en ik repareer de noodantenne.


"Nog een beetje slacken, Piet "


We vertrekken naar Port Said (Egypte). Ik ben erg benieuwd naar het Suezkanaal. Er zijn op de wereld minstens twee kanalen die je als zeeman gezien moet hebben: het Panama­ en het Suezkanaal. Het Suezkanaal is gegraven door een Franse maatschappij die werd opgericht in 1858. De directeur was Ferdinand de Lesseps en de plannen waren van een Oostenrijks ingenieur, Negrelli, die inmiddels overleden was. De aanleg was tegen de zin van Engeland; die vreesde de achteruitgang van Kaapstad. Ook Nederlandse know how werd er in geïnvesteeerd en ook nu nog wordt het op diepte houden voor een belangrijk deel door Nederlandse baggeraars gedaan.Het kanaal werd in 1869 geopend. Het verbindt de Middellandse Zee met de Rode Zee en is 164 km lang (Amsterdam-Maastricht hemelsbreed). Het loopt via een meer naar Suez. De minste breedte is 45 meter; dat betekent dus éénrichtingsverkeer. Daarom vertrekken de schepen uit Port Said en Suez in konvooi. Het konvooi uit Port Said passeert het wachtende konvooi uit het zuiden in het Bittermeer. Aan beide einden van het kanaal bevinden zich lange pieren om het zand buiten te houden, dat door de stroom langs de kust verzet wordt.

Port Said, 29 dec 1959

‘s Ochtends rond negen uur zijn we in de buurt van de kust van Egypte. Zwartroodachtige bergen in de verte en de vette oranje contouren daarvan op het radarscherm. Ik stuur nog een laatste telegram naar de agent in Port Said. Vandaag verwisselen we het donkerblauwe uniform voor het witte.

Op de rede van Port Said komt de loods aan boord en spoedig bevinden we ons tussen de pieren. Ik meld ons af bij Alexandrië Radio en via de kortegolf bij Scheveningen Radio. Aan de rechterzijde van de haveningang staat het grote standbeeld van De Lesseps. Het lijkt ons vriendelijk aan te kijken, alsof hij welkom knikt als we er langzaam voorbij varen. In het midden van de haven zoekt de loods voor ons een plekje om ten anker te gaan.

We zijn in een totaal andere wereld. Aan de overkant van de haven ligt de witte stad. Hoge huizen, kleine huisjes, moskeeën er tussen en smalle drukke straatjes. Het is windstil en heerlijk warm in de felle zon. Af en toe drijft de typische geur van de stad over het water; echt een Arabierenlucht ... De Middellandse Zee heeft zo zijn eigen sfeer, maar deze Arabische entree helemaal. De navigatiekaarten 'Southern part of the North Sea' met zijn gure weer, en de 'Entrance to the British Channel' liggen ver achter ons. Om maar niet te spreken van de 'Bay of Biscay' met zijn stormen.

Geroezemoes glijdt over het glinsterende water. Het stikt er van de bootjes. In een mum van tijd is ons schip door hen omzwermd, beladen met koopwaar en souvenirs. Langs dikke touwen en de loodsladder klimmen Arabieren in witte jurken aan boord. Ze braken totaal onverstaanbare woorden uit. Aan een touw hijsen ze mandjes met spulletjes uit hun bootjes, waar één jurk achterblijft. Voor je het weet, is het dek een markt geworden. Er is ook een goochelaar bij, die het presteert levende kuikentjes uit je gulp te toveren. Iedereen wordt hartelijk uitgenodigd te "kijken, kijken niet kopen!" Ze kennen de Jannen wel! Ik koop een kamelenzadel, zo'n bankje voor thuis in de huiskamer. We houden onze hutten op slot, zoals in alle havens.

Een klein, nogal belangrijk uitziend corpulent heerschap in westers kostuum schijnt de baas te zijn. Hij trippelt, met een tas onder de arm over het dek, commandeert luidruchtig en wijst nadrukkelijk. De kooplieden buigen als een knipmes. Dan loopt hij, mijn uniformstrepen herkennend, naar mij toe en zegt, mij de hand schuddend: "Gello mineer de marconiste! Goe gat get met oe? Ieke ben Saïd. Oe irste kier op deesje sjiep? (!) Ieke komme post galèn." Hij loopt met me mee naar mijn 'postkantoor', de radiohut, waar de post van de crew die onderweg bij mij was ingeleverd, klaar ligt. Uit zijn tas haalt hij ook een pakket: post van thuis voor ons. Hij probeert mij nog wat tropenkleding te laten bestellen; wordt afgeleverd als we weer terugkomen, maar ik heb net alles nieuw. Hij heeft nog companypost voor de kapitein, neemt hartelijk afscheid en verdwijnt.

"Zijne Hoogheid zegt dat dit lamsogen uit 1947 waren."

De post ga ik gauw uitdelen en lees dan de brieven van thuis. Ondertussen wordt er bescheiden aan de deur, die op de haak staat, geklopt. Ik doe open. Een Arabier prijst fluisterend in gebroken Engels en schichtig om zich heen kijkend, zijn koopwaar aan: zwart-wit pornofoto's, waarop nauwelijks te zien is waar het om gaat. Het zijn slechte kopieën uit het jaar nul en sowieso van generlei waarde. Ik wimpel hem af en sluit de deur, want de brieven van thuis zijn veel interessanter. We hebben afgesproken dat elke brief een nummer krijgt, zodat je weet of er een zoek is.

Aan dek wordt met eigen gerei geladen en gelost en er wordt handel gedreven. Na een paar uur ontruimen de kooplieden het dek en verdwijnen snel naar het volgende schip dat binnenloopt. We krijgen twee Pakistani als dekpasagiers mee tot Karachi. Zij huren dus geen hut, maar slapen op hun matje aan dek op de poop (achterschip) en als het fris wordt mogen ze in de achterste dekhuis vertoeven tussen blikken verf, lampen en touwen. Er liggen veel schepen in de haven, wel twintig.

"Als u nou een papegaai koopt en de bootsman een apie, dan mag ik toch óók wel wat meenemen?"

De bedoeling is dat we 's avonds in konvooi het Suezkanaal invaren. Om een uur of tien komt de loods aan boord. Ik krijg instructies op een beduimeld stencilletje. Hierin staat hoe ik die nacht radiowacht moet lopen en dat ik standby Ismailia Radio moet zijn. Marifoon bestaat nog niet. Gewoon ambachtelijk, dus degelijk morse is goed.

Dan varen de schepen één voor één het kanaal in met een felle lamp, het Suezlicht, aangebracht op de boeg. Nooit geweten, dat de kromme ijzeren stok op de boeg van schepen voor het Suezlicht is bedoeld. De schepen volgen elkaar als een kudde olifanten. De oever aan beide zijden is donker. Toch kun je wel zien dat praktisch alles zand is. Ik ga een kijkje nemen in het stuurhuis. "Varen we door een woestijn?" "Yes", zegt de loods, wijzend naar lichtjes aan stuurboord: "Zis is Ismailia signal station". Dat zal best, want in de radiohut spetteren de morsetekens al bij laag volume als vuurwerk uit het luidsprekertje. Op de terugreis zal ik foto's maken bij daglicht:

Suezkanaal
Ismailia seinpost.

's Ochtends varen we het Bittermeer in. We hebben nu driekwart van het kanaal gehad. In het meer ligt het konvooi uit de Rode Zee ten anker te wachten, tot ons konvooi gepasseerd is. Onder de wachtenden bevindt zich de trots van de Amsterdamse koopvaardij: de Oranje, het vlaggenschip van de Stoomvaart Maatschappij Nederland (SMN) “Schraal Maar Netjes”. Het komt met honderden passagiers uit Australië en Indonesië, op weg naar Amsterdam. De Oranje/PGOF, gebouwd in 1939 is het snelste Nederlandse motorschip. Met drie schroeven haalt ze ruim 26 knopen (49 km) per uur. Op 6 januari 1953 had ze een aanvaring met de Willem Ruys/PIQF van de Kon. Rotterdamsche Lloyd. Beide schepen voeren in de Rode Zee. Toen ze elkaar naderden, leek het wel leuk voor de passagiers om elkaar van dichtbij te passeren. Dat liep goed fout. Van beide schepen werd het voorschip in elkaar gedrukt. Toen de Oranje na de aanvaring in de sluizen van IJmuiden arriveerde stond het zwart van de 'fans'. Ze werd in 1964 de Italiaanse Angelina Lauro, vloog in 1979 aan de kade in St. Thomas in brand en werd totaal verwoest. De Willem Ruys werd in 1965 eveneens door de Italianen gekocht en heette toen Achille Lauro. Ze werd in de Middellandse Zee door Palestijnen gekaapt op 7 oktober 1985 en is brandend gezonken op 30 november 1994. De Italianen hebben 'onze' schepen wel naar de filistijnen geholpen. Maar ja, beter strijdend ten onder, dan naar de sloop.

Na de middag varen we Suez uit, de Rode Zee in. Het eten wordt bij de twee Pakistani aan dek gebracht. Ze mogen geen varkensvlees eten, maar de kok, Zeger Leclerq, trekt zich daar niet veel van aan. “Ze merken het toch niet”, zegt hij. Hij krijgt gelijk. Als wij met een smoes komen kijken, zitten ze heerlijk karbo’s te smikkelen.

Na Suez een stukje zuidwaarts de Rode Zee in, dan linksaf en omhoog langs de Sinaï-woestijn de Golf van Aqaba in, die als een doodlopende weg eindigt bij een vierlandenpunt: Jordanië met de armoedige haven Aqaba, Israel met het moderne Eilat, Egypte en Saoedi-Arabië. Het is 31 december 1959, maar van een oudejaarsavond kan ik me geen moment herinneren, behalve dan dat we om 0.00 uur traditioneel langdurig aan de fluit trekken, samen met een ander schip dat op de rede van Eilat ligt.

Tremmer/handlanger Peter Wagner voegt er op 15 juli 2010 in mijn gastenboek aan toe: tijdens de jaarwisseling in Aqaba was nagenoeg iedereen behoorlijk onder invloed. Die nacht wakkerde de wind zo sterk aan, dat het anker begon te krabben. Kapitein Visser besloot toen het anker te hieuwen en we hebben, naar ik meen van 23.00 uur tot 06.00 uur op één ketel en de telegraaf beurtelings op langzaam en half, door de Golf van Aqaba gevaren. Ik was één van de weinigen die om 11.00 uur nog nuchter was en heb al die tijd op de stookplaat gestaan. Het grootste deel van de opvarenden is het totaal ontgaan dat we de hele nacht hebben gevaren.

Na Aqaba gaan we terug, zuidwaarts de Rode Zee in. De volgende bestemming is Port Soedan.

Aqaba, Jordanië 

Ik dacht dat het in de Middellandse Zee warm was, maar de Rode Zee slaat alles. Ondertussen, als je vrij bent, ga je ergens aan dek siesta houden op je badhanddoek met maatschappijlogo. Bij de meesten thuis kom je deze handdoeken weer tegen; wie appelen vaart, die appelen eet. De een gaat zonnen op het schavot (dak van het stuurhuis), de ander op de bak (voorschip). Ik kies meestal voor de bak. Je kunt er tussen het zonnebaden door af en toe zo lekker over de verschansing hangen en diep beneden zien hoe de boeg ruisend en heel licht stampend door de donkerblauwe golven snijdend een snor langs het schip vormt. Achter de midscheeps ontstaat dan weer de hekgolf, die door de zuiging van het schip meedeint, alsof hij het een duwtje meegeeft. Tijdens pikheet (werkpauze) wordt de thee door een steward aan dek geserveerd. We zien soms dolfijnen en er springen vliegende vissen uit het water. Hun borstvinnen gebruiken ze als vleugels en op hun staart hoppen ze steeds een paar meter vooruit. De tweede stuurman staat van 12 tot 4 op de brug en bekijkt jaloers het tafereel. "Badman, word ik al bruin?" Om 4 uur, als de eerste hem aflost, voegt hij zich bij ons.

De eerste stuurman en de bootsman hebben 's ochtends werkoverleg gehouden. Ze besluiten door te gaan met het onderhoud van het schip. In de Middellandse Zee waren de matrozen al begonnen met roestbikken aan dek en schilderen. Het geklop van de bikhamers klinkt, begeleid door roestwolkjes, de ganse dag door het gehele schip. Tegen het einde van de middag wordt er geveegd en de nieuwe plekken in de verf gezet, gemengd met zand als antislip. Er kruipt per dag een steeds groter wordende menievlek over het voorschip in de richting van de midscheeps. "Schaften!" roept de bootsman tegen vijven vanaf het sloependek en heel de meute zijgt na zich gewassen te hebben, moe en verdoofd van de herrie in de messroom neer. Sommige matrozen werken alleen overdag. Anderen een paar uur en lopen dan wacht als uitkijk, wanneer de avond is gevallen. Elk lichtje moeten ze uitpraaien vanaf de brug of de bak. De stuurman ziet ze uiteraard zelf ook wel, maar als deze zich in de kaartenkamer bevindt, is de uitkijk noodzakelijk en derhalve verplicht.

Port Soedan is heel armoedig. De zwarte bootwerkers hebben smerig haar en stinken like hell in de drukkende hitte. Maar hun manier van werken is fascinerend. Zij zijn bezig zakken met veekoeken, bestemd voor Porbandar (India) te stuwen in ruim 5. De voorman zingt een paar woorden en dan valt het gehele koor in. Op het ritme van hun gezang doen ze hun werk beneden in het onderruim. Ik leun aan dek over de rand van het ruim en kijk in de diepte naar de werkers. Van hun gezang kan ik maar geen genoeg krijgen. Het deuntje blijft nog dagenlang in mijn hoofd zitten. De derde stuurman staat tussen hen in als tallyman. Hij turft wat er in komt en controleert of de lading volgens de eisen van goed zeemanschap gestuwd wordt. Vlakbij het strand staat een nieuw zeemanshuis, met een heel mooi zoutwaterzwembad, waar we graag gebruik van maken.

Port Soedan - Aden.

Op deze route ga ik eens leren hoe je zo'n groot zeeschip moet besturen. Dat is best leuk. Matroos-roerganger Willem Meeter houdt een oogje in 't zeil. Het mag niet zo zijn dat je met het schroefwater je handtekening schrijft. Het gaat redelijk en na een paar uur ken je haar meeste eigenzinnige gedragingen wel. Ik wacht nu nog op storm; dat is andere koek. Maar het sturen is erg leuk en op alle schepen na deze ga ik ook aan het wiel als het zo uitkomt. De uitgang van de Rode Zee heet Straat Bab el Mandeb. Daar moet je tussen een paar eilanden door. De kapitein komt er voor naar de brug en ziet mij aan het wiel staan. Maar hij zegt er niets van en geeft zijn roerorders. Kennelijk vertrouwt hij de stuurman minder dan mij! Ik voer  ze  - weliswaar een tikkie zenuwachtig -  perfect uit. Het lijkt alsof ik examen doe. Matroos Willem staat te grinniken. Maar ik heb de laatste dagen meer geleerd dan hij had ingeschat. Als alles achter de rug is en we weer de ruimte hebben om vervolgens bakboorduit de hoek omgaan richting Aden, gaat de Ouwe weer naar zijn hut, alsof het heel normaal is dat de marconist aan het roer staat. En Willem Meeter is intussen naar het toilet gegaan om 'een achtertrossie uit te brengen', zoals hij dat altijd noemt om in de sfeer te blijven.

In het Engels is een schip she. De Nieuw Amsterdam b.v. heette bij de Engelsen ook wel de Grand Old Lady. De Engelsen zijn erg sea minded. Wij spreken toch ook van zusterschip? En elke loods ter wereld zegt ook: steady as she goes (recht zo die gaat): de koers die nù voorligt vasthouden. Voortaan, als ik toch niks te doen heb (en dat is vaak) mag ik het schip zelfstandig besturen, als hobby.

In Aden (Yemen) lossen we lading. Rondom het schip weer bootjes met koopwaar. Ik koop een hondje met een zwart-wit kunstvachtje. Het loopt letterlijk op batterijen: drie pasjes vooruit, staat dan stil en draait zijn koppie naar de baas, keft echt drie keer en loopt dan weer drie pasjes verder. Zijn staartje wiebelt heen en weer. Aan het halsbandje zit de draad naar de batterijhouder met knopje, die je onzichtbaar in de hand houdt. Groot succes, ook thuis. Op de thuisreis willen meer collega's zo'n mormel kopen. 


Op een zaterdagavond om vijf voor twaalf komen we aan op de rede van Karachi. Vóór twaalven moeten we voor anker liggen, want anders kost het de maatschappij zondagverlof aan de bemanning. M.a.w. de bemanning wordt zo nog net een "Zondag op zee" door de neus geboord. Anno 1960 is er nog de zesdaagse werkweek. Alleen de zondag varend op zee telt voor het verloftegoed. Als de kapitein kans ziet vóór 00.00 uur zondag een haven of de rede te bereiken, ben je “niet” op zee en werk je niet, dus ben je al vrij! Dat een schip echter een 24-uurs bedrijf is en dat je wèl werkt, willen de werkgevers nog niet weten. Dit onrecht wordt pas vele jaren later ongedaan gemaakt. Dan geeft elk weekend aan boord eindelijk recht op 2 dagen verlof.

Karachi - Bombay 23/1 - Porbandar - Bombay 5-8/2 - Karachi - Aden - Port Soedan – Suezkanaal - Rotterdam - Kiel – Stettin (Pol.) - Kopenhagen 17/3 - Hamburg - Bremen - Rotterdam

Van Szczecin (Stettin) in Polen is ons niets bekend. Niemand van ons is er ooit eerder geweest. We mogen na aankomst geld opnemen: zloty's. Met een pasje door de douane uitgereikt, gaan we met z'n vieren de wal op. Het is fris en waaierig. Ons schip is het enige aan een lange lege kade. Enkele vrouwen in lange dikke jassen vegen het praktisch lege haventerrein aan. De uitgang wordt bewaakt en wij worden gecontroleerd. Het zijn twee vriendelijke mannen die zich rot vervelen. We geven ze elk een pakje Lucky Strike. O, wat zijn ze heden blij.

Na twintig minuten slenteren bereiken we de stad. Er zijn weinig mensen op straat. Aan sommige lantaarnpalen hangt een luidsprekertje waar wat muziek uitkomt, vermoedelijk om de sfeer wat op te krikken, want het is er een troosteloze bedoening. Ook van mode hebben ze geen besef, als het maar warm zit. In een café besluiten we het geld op te maken. We hebben het verder toch wel gezien. Er zijn nog een paar bezoekers. We kennen dan geen Pools, maar proberen het met Duits. Dat lukt een beetje. We delen sigaretten uit die ze dankbaar opbergen. Dat geeft stemming. Het bier is wel oké, de Polen zijn oké en de Hollanders zijn helemaal oké. Aan de wand hangt een oude gitaar. Mag ik even? Jazeker. Even het instrument stemmen en ik speel en zing met de maten enige 'liederen'. Als er twee vage personen binnenkomen is het plotseling stil en slaat de stemming om. Veiligheidsmensen, denken we. We doen ook maar normaal, je kan niet weten. Ik tokkel wat flamenco. De snoeshanen luisteren zonder een spier te vertrekken. Na een kwartier hebben we het wel gezien en bij het afrekenen geven we al het Poolse geld en gebaren van houen maar. We lijken wel een financieeltropische instelling. Het gebeuren heeft indruk op ons gemaakt. Dit is gekker dan armoe in de warme landen.

Bij het vertrek gaat er iets fout. Op de brug denken ze dat we los zijn, maar in werkelijkheid zit het achterschip nog met één spring vast. De 2e stuurman die bij 'voor en achter' met zijn matrozen altijd achter werkt, kan niet meer op tijd waarschuwen. Met een knal zwiept de staaldraad van de kade naar boord op het dek. Er wordt, ó wonder, niemand geraakt.


6 april 1960 - 22 juni 1960

t.s. MOLENKERK


Rotterdam - Genua 15/4 - Syracusa (Sic.) Paasdagen. - Bombay - Karachi (zelfde reis als 7 dec.)  Aden 5/5, Valencia 13/6 – Hamburg tot 22/6. Afgemonsterd in Hamburg, met de trein naar huis.

Voor vertrek ontmoet ik tot mijn verrassing Gerard van Geldorp, een jongen uit mijn dorp Santpoort en zoon van een aannemer in de Hoofdstraat, die ik al kende toen ik nog op straat speelde. Hij is hutsteward. Het wordt zijn allereerste reis en hij voelt zich al een stuk meer op zijn gemak door een bekende tegen het lijf te lopen. Maar kapitein Visser is het type van rangen en standen en merkt autoritair op dat Gerard te vaak bij mij op bezoek is. Gerard is gewoon net als de rest van de crew vol bewondering over de voor hem mysterieuze elementen van het marconistenvak en de prachtige taal die morse heet. De Ouwe zegt er wat van. Dan zoek ik mijn dorpsgenoot en zijn maatjes daar beneden zelf wel op. Ik neem mijn gitaar mee en zo ontstaan er gezellige uurtjes. Overigens, morse is nu afgeschaft? Dat dacht je! Op de Spaanse televisie wordt elk doelpunt enthousiast in morse geseind:   _ _ .     _ _ _      . _      . _ .  .     !!!

Op de uitreis passeren in de Middellandse Zee een paar Duitse marineschepen. De 3e stuurman heeft geen zin om te groeten. "Officieel," zegt hij, "is er geen vrede met Duitsland, maar een wapenstilstand. Dan hoeven we ook niet te groeten." Hij heeft formeel gelijk. Maar het is een 'vrijwillig verplicht' gebruik dat er ook met inmiddels bevriende oorlogsschepen netjes een groet met de vlag wordt gewisseld. De Ouwe, die vanuit zijn hut de schepen ook heeft gezien, belt naar boven en vraagt of de stuurman gaat groeten. "Nee," zegt deze eigenwijs. Ouwe kwaad en komt zelf; hij is kennelijk benauwd voor een moffenrapportje via de maatschappij. De matroos roerganger, een Spanjool wordt met de vlag naar achteren gestuurd. Tot overmaat van ramp presteert hij het om de driekleur met het blauw aan de bovenzijde te hijsen. Opnieuw bewijst een Spanjool hoe ongeïnteresseerd ze hun werk doen. De stuurman is echter zeer tevreden. De Duitser groet terug en zal wel onze vlag in het vlaggenboek opzoeken en niet vinden. De Ouwe gaat rood van ergernis terug naar zijn hut. Overigens zouden de Belgen wel eens gelijk kunnen hebben als zij beweren dat de Nederlandse vlag om zuinigheidsredenen horizontale banen heeft, zodat in geval van slijtage gedurende jaren en jaren slechts behoeft te worden bijgeknipt, in tegenstelling tot vlaggen met verticale banen, want dan zal de buitenste baan onherroepelijk verdwenen zijn.   

Na vertrek en verder elke maand wordt sloepenrol gehouden. De 4e stuurman probeert bemanningsleden te strikken voor de cursus gediplomeerd sloepsgast. Ik doe welwillend mee en na een les of tien theorie en praktijk behaal ik het diploma. Over het algemeen heeft een vrachtschip 4 reddingboten. Twee aan elke zijde (heel goed: stuurboord en bakboord), waarvan er één is uitgerust met een motor. Er gaan 40 mensen in een boot. Een mannetje of vijf per boot heeft een bepaalde taak.

Enige nuttige wenken:

a. De houten bootsbedekking afnemen; niet in het water gooien! (er kan iemand per ongeluk bovenop springen).

b. De proppen aan de onderzijde in de bodem indraaien, anders vaar je niet lang. De proppen zitten er normaal  niet in, want regenwater moet kunnen weglopen.

c. De elektrische winches van de davits gereed maken (bootsman).

d. Een werktuigkundige voor de motor.

e. De marconist, of een stuurman moet de draagbare radiozender meebrengen. Het komt nog al eens voor dat de marconist voorlopig achterblijft om samen met de kapitein op het     zinkende schip de held uit te hangen.

f. Opletten dat iedereen een zwemvest om heeft.

g. Enzovoorts.

In alle gangen hangen de lijsten met taken en wie er voor is ingedeeld. Ook degene die geen taak heeft staat op de lijst, zodat bij schip verlaten niemand bij de verkeerde boot staat.


HOE MAAK JE INDRUK OP EEN PASSAGIERE?  -  HOW TO IMPRESS A LADY PASSENGER

"... Zeg ik tegen de kapitein: man, spring nou maar in de reddingboot, dan regel ik het sos verder alléén wel ... "

In de Rode Zee, maar ook elders kun je merkwaardige verschijnselen zien; neem nou kimverheffing. Op een gegeven moment zien we boven de horizon een schip op z’n kop; masten naar beneden, romp erop. Dat schip vaart achter, dus onder de horizon, op misschien grote afstand. Een soort fata morgana dus. Je denkt soms dat je de enige op zee bent, in het middelpunt van de grote cirkel om je heen, maar zelfs midden op de oceaan moet je soms uitwijken voor een tegenligger om een botsing te voorkomen. 's Avonds licht het zeewater op. In de boeggolf en in de snor zit het vol met lichtgevend plankton.

In Port Soedan duikt Gerard van Geldorp verkeerd in het zwembad van het zeemanshuis. Met een diepe wond in z'n kokosnoot komt hij weer boven, maar verder is er niks ergs gebeurd. De 2e stuurman verzorgt hem, want die is altijd de dokter. Hij beschikt over Boonhakker's Medisch Handboek voor Gezagvoerders en Stuurlieden en heeft stage gelopen in een ziekenhuis. Als niemand weet hoe het verder moet, kan via Scheveningen Radio bij het Rode Kruisziekenhuis in Den  Haag, of elk ander walstation telegrafisch of telefonisch gratis begeleiding worden gevraagd.

Aan dek krioelt het van de halfnaakte, pikzwarte en uitgeteerde negers die hier in Port Soedan de lading lossen en stuwen. Ze stinken weer enorm in deze tropische hitte. De voorman zingt weer uit volle borst op het ritme van het werk en het koor valt weer in. We laden wederom veevoer voor Porbandar in India.

6 mei 1960

Tussen Aden en de Perzische Golf is veel scheepvaartverkeer van en naar Europa. Niet alleen de sterrenhemel bevat duizenden lichtpuntjes, maar ook vele schepen met hun navigatielichtjes passeren elkaar op veilige afstand onhoorbaar in de zwoele donkere avond; je hoort slechts het zachte geruis van de eigen boeggolf. Veel stuurlui halen hier hun hart op aan het seinen met de morselamp naar een naderend schip. Mij word vaak gevraagd mee te doen. Onze 3e stuurman vindt het wel leuk; nou ja, hij kan wel seinen, maar ontvangen is vers twee. Dat gaat hem vaak te snel en hulp van de marconist is dienaangaande onontbeerlijk. Voor mij is het letterlijk kinderspel. Om ca 21.30 nadert een tegenligger. Die zit om een praatje verlegen en knippert de oproep:  .  -    .  -    .-  puntstreep, puntstreep, enz. Ik pak de aldis morselamp en geef een streep terug. Hij begint:

-...-  (=) What ship -...- 
Wij: = dutch ss molenkerk from rotterdam to karachi = 
Hij:  = british proud from mena al ahmadi to rotterdam do you know about margaret = 
Wij: = what about margaret = 
Hij:  = dont you know about small man =

De stuurman en ik kijken elkaar aan. We begrijpen toevallig dat hij prinses Margaret bedoelt; die is vandaag in het huwelijk getreden met die fotograaf,  Lord Snowdon en is dus in het nieuws geweest. Maar wat wil hij daarover weten en wat bedoelt hij met small man? Klein mannetje, kleine jongen, baby? Morse is wel leuk, maar de toon die je in een normaal gesprek legt kun je met de seinlamp niet overbrengen. Inmiddels passeren we elkaar snel.

"Misschien móest ze trouwen", suggereer ik; a dirty mind is a joy forever.

"Ik weet van niks Sparks; nou, dan vraag je 't!"

We moeten haast maken, want de afstand tussen beide schepen vergroot zich al weer.                                                                    

= is she pregnant? = knipper ik. Geintje.                                                                                                                                                    

Hij: = no no its a pity that you dont know the other way =

Wij begrijpen er nu helemaal niets meer van en ik leg schouderophalend de aldislamp terug in z'n kist. Het schip is inmiddels al te ver weg. Zijn seinlampje in de voormast is nu te zwak en de sterke te richten aldislamp gebruikt hij niet. Een aldislamp is een seinlamp, die je in de linkerhand houdt, voorzien van een trekker zoals bij een geweer. Als je met de rechter wijsvinger de haan aantrekt, verdwijnt er een afschermend hulsje dat om de brandende gloeilamp zit naar achteren, zodat het licht vrij op de spiegel in de lamp valt. Door de haan als seinsleutel te bedienen, sein je met de sterk gerichte bundel. Voor korte afstanden kan je ook met een seinsleuteltje buiten op de brug, een lampje op de masttop laten knipperen. We besluiten het gehele verhaal even op te schrijven en straks als de 2e om 00.00 uur komt aflossen efkes te vragen. De 2e stuurman leest het briefje en legt uit: "Prinses Margaret is vandaag getrouwd. Dat staat in jouw krant Sparks, én het was op de radio. Of ze zwanger is had je natuurlijk niet moeten vragen. Daarom zegt hij: "Nee, nee, het is jammer dat je geen andere manieren kent". Dat vinden wij nou ook, maar niet heus. "Maar wat bedoelt hij dan met small man?" "Small man is een scheldwoord. Hij vindt het maar dom dat je niet op de hoogte bent van zijn 'wereldnieuws'. Misschien verwachtte hij dat je hem zou feliciteren, anders weet ik het ook niet," besluit de 2e, terwijl hij een verdachte tegenligger nauwkeurig met het peilkompas observeert en 5 graden stuurboord geeft. De volgende ochtend roep ik de GDFT op 500 kHz, maar de komma hoort me niet. Waar lijkt een komma op ..... ? Even nadenken....  Inderdaad! Daarom wordt de komma ook wel eens in morse gebruikt op de noodfrequentie, om te waarschuwen als iemand zich niet aan de radioregels houdt.

In Karachi spelen we een voetbalwedstrijd tegen het Duitse schip Drachenfels/DECU, georganiseerd door het zeemanshuis. Op het terrein is nauwelijks gras te bekennen. We verliezen en geven de schuld aan het veld, net als de profs.

In Bombay moet je door een sluis naar de Alexandra docks. Daar lossen we de lading. Dat duurt een paar dagen. Het is er zwoel en vooral 's avonds hangt er een typische geur. Het getsjirp van krekels is niet van de lucht. Ratten en kakkerlakken schieten voor je langs; de rattenschilden rond de voor- en achtertrossen zitten er niet voor niets. Op de kade liggen honderden balen graan. Sommige zijn stuk en we snoepen van de tarwe. In de stille woonwijk slapen de inwoners op de stoep op een matje voor hun schamele woning. We lopen voorzichtig om hen heen. Een oude man speelt weemoedig op een sitar. Eventjes stil staan om te luisteren. De man, gehuld in een gewaad van lappen, vertoont zelfs een glimlach op zijn tanige gezicht als we eerbied tonen voor zijn vertolking. De sfeer is er ook naar.

Als we vertrekken met de loods aan boord gaat het schip niet recht de sluis in; en ik sta niet aan het wiel! Ook de vaart is iets te hoog. Tijdens het manoevreren is het ankerspil altijd bemand. Onze kapitein ziet aankomen dat het fout gaat. Van achteren liggen we wel goed, maar van voren moeten we tien meter terug ... ?? De Ouwe grijpt in, zet de telegraaf op achteruit en roept vanaf de brug naar de 3e stuurman op de bak: "Lekko stuurboord!!" Die draait snel de rechtse rem op het ankerspil los, maar helaas, te laat. We liggen nu scheef in de sluis en de neus van het schip steekt al over de kademuur. Met veel geraas lazert het zware anker op de keien. Volgens mij, maar wie ben ik, hadden we full astern (vol achteruitslaan) gemoeten. De soepjurken springen weg voor hun leven. Steen en stof vliegt in het rond. Het anker dat een paar ton weegt, heeft in de kade een gat geslagen. Daar bovenop ligt een berg ketting. De Molenkerk ligt nu stil. Ze heeft een zere neus en wil haar anker terug, als dát zou kunnen. Zóiets stoms maak je niet vaak mee. De 3e stuurman loopt op de bak in paniek rond te springen, kijkt dan weer over de verschansing naar benee en wij hebben pijn in ons buik van het lachen. De kapitein roept: "Zijn er dooien?" "Nee!", gilt de derde. Dan ziet de Ouwe er uiteindelijk ook wel de humor van in, als blijkt dat er geen slachtoffers zijn gevallen.