16 april - 26 mei 1961
s.s. STAD ROTTERDAM
Halcyon Lijn, Rotterdam
REG.: PHRN
Radiostation: Philips SMZ 218/219
7001 BRT.
Type: Empire.
Bouwjaar 1943 Sunderland, Engeland.
Snelheid: 9 knopen.
1963 afgevoerd.
Kapt. Mar Parlevliet, Katwijk. 1e stuurman Joop van Steijn, Schiedam. 2e stm Ronald Schrijver, Breda. 1e wtk van Houwelingen. 2e wtk Nijs. 3e wtk Nederlof. 4e wtk Verheyen.
Met steenkool naar Italië, in ballast naar Spanje, met erts naar Rotterdam, bestemd voor de staalindustrie in Duitsland.
Waalhaven, 16 april 1961.
De Stad Rotterdam is van dezelfde rederij en is een tijdje opgelegd geweest. Ze is qua verf niet om aan te zien; ze barst van de roest; je schaamt je dood voor je familie. Was ik maar op de Stad Gouda gebleven. Maar ja, ik wou er per sé af, omdat we veel te kort thuis waren, soms maar 2 dagen; zo krijg je nog problemen thuis. Mijn verloofde is zoals gewoonlijk met me mee gegaan en we bekijken verschrikt de roest aan het schip. Maar we moeten toch maar doorzetten en aan boord gaan.
Het schip ligt in de Waalhaven aan pier 7 onder grote portaalkranen steenkool te laden. Nonchalant verplaatsen onsympathiek ogende stalen gevaartes met enorme grijpers Duitse steenkool van de kade naar het schip, een massief stofgordijn opwerpend. Dit is toch wel de Stad Rotterdam? Alles ziet zwart. Uit enkele leidingen aan dek sist wat stoom. Tussen de kooltjes aan dek probeert een matroos met behulp van een brandslang, die z'n beste tijd gehad heeft, de stofwolken plat te krijgen. Hij kijkt ons grijnzend aan."Dag, marc." De 'matroos' die me lachend aanspreekt schijnt me te kennen; ik hem niet. Wij marconisten zijn kennelijk herkenbaar. Hij draagt een overall die ooit wit is geweest en blijkt de 1e stuurman Joop van Steijn te zijn. Hij ziet ons schuifelen en heet Henny en mij van harte welkom met twee zwarte kolenjatten en knijpt ook nog even in Henny’s wangen; een grappenmaker dus. Geschminkt en onder veel hilariteit zoeken we de toegang naar het binnenste van mijn nieuwe woonoord. Behulpzaam wijst Joop ons de weg. "Ik zal je sleutels even halen." We staan voor de gelakte hardhouten deur van mijn hut. Er boven bevindt zich een gepoetst (jawel) naamplaatje met MARCONIST erop; dat is dan duidelijk. Daar is onze gids weer. Hij opent galant de behoorlijk klemmende deur. "Zo, marc. Dit is je huis, zet je spullen maar binnen en kom zo maar een pilsie bij me halen. Wat drinkt U?" vraagt hij aan Henny. Wij begrijpen ineens dat dit nou het prototype van een oud en gezellig stoomschip moet zijn. Ik begin me al thuis te voelen en ben nu al blij dat ik van zo'n bekakt clean motorschip af ben! Mijn hut is weliswaar kleiner, maar de stoffen bekleding van de zitbank doet warmer en gezelliger aan. Dit Empire-schip heeft in zijn karkas een echte stoommachine – triple expansie - met armen en benen dus, waar een echte stoomfluit bij hoort. Er is natuurlijk geen kolenvuur meer om de ketels te stoken, maar moderne oliestook. Binnen is het stil; geen getril van een hulpmotor voor de elektriciteit. Hier kan je ver weg een deur horen slaan, muziek uit een hut horen komen, en het praten door haastige figuren van de pier of rederijkantoor. Mijn hut bevindt zich niet naast de radiohut op de brug, maar er recht onder; samen met de kapitein en Joop van Steijn heb ik de beschikking over het gehele dek. Het stof van de steenkool heeft kans gezien tussen de stijfdicht geknevelde patrijspoortranden naar binnen te komen. Op het kozijntje en in het bijbehorende lekbakje - voor visite het asbakje – ligt kolenstof. Ik draai de knevels van de blinde kleppen los en kijk door het raam naar buiten. Het uitzicht is over ruim 3 naar achteren, dan het tweede dekhuis met de lange schoorsteen en daarachter moeten zich ruim 4 en 5 bevinden.
We gaan eens even kijken hoe mijn radiostation eruit ziet en het stuurhuis. Een steile trap leidt omhoog naar de brug en de radiohut. In het stuurhuis bevindt zich behalve natuurlijk het stuurwiel ook de radar (Raytheon) met 48 mijl bereik, handig bij hoge bergen en steile kusten als ze nog ver weg zijn. Er zijn twee koperen spreekbuizen met fluitje er op, i.p.v. een telefoon, elk voorzien van een gepoetst naamplaatje: MACHINEKAMER en HUT KAPITEIN. In zo'n spreekbuis moet je dus eerst blazen. Dan gaat aan het andere eind het fluitje, zodat de geadresseerde weet dat hij wordt geroepen. Die haalt het fluitje eraf, luistert en lult vervolgens terug. Verder is er nog de roerstandaanwijzer, de clinometer die aangeeft hoeveel graden het schip slingert, het echolood en de vlaggenkast met alle seinvlaggen. Dan nog (niet onbelangrijk!) het magnetisch kompas waar de roerganger op kijkt. Dat is het zo'n beetje. Geen gyrokompas, dus ook geen autopiloot. De kaartenkamer is voorzien van de standaarduitrusting: laden met zeekaarten, een barometer, barograaf, chronometer, het echolood en de radiorichtingzoeker om radionavigatiebakens aan de wal te kunnen peilen als je de weg kwijt bent.
De radiohut bevindt zich naast het trapgat. Boven de deur prijkt een koperen plaatje met SEINKAMER en als we binnentreden sta ik met verbazing naar het zootje 'ongeregeld' te kijken.
Philips SMZ 218/219 (foto a/b Shelltanker “Ondina”)
links: middengolfzender - midden: kortegolfzender - rechts: voeding
Ik word aangestaard door een batterij apparatuur, schijnbaar willekeurig gerangschikt, met hier en daar een keg om de zaak zeevast te houden. De grote grijze SMZ Philips-zenders ken ik wel; al het grut er omheen zegt mij niet direct iets. Nog vóór vertrek wil ik het weten, alsof ik er geboren ben. De koperen buis-antenneleidingen, nu felrood geschilderd, slingeren zich als bloedsporen langs de wand naar de uitvoer in het plafond; eenmaal geverfd hoef je niet meer te poetsen. Er is maar één stoel, er kan er maar net een bij. De ontvanger ken ik ook. Het is de vertrouwde Philips BX-925 met de unieke motoraandrijving achter de afstemknop. Ik haal de hoofdschakelaar over om het station van spanning te voorzien. Daarna de ontvanger aan op Veronica 1562 khz (192 m) en gelukkig komt de opgewekte stem van Joost den Draaier mij opbeuren. In de kaartenkamer is een koffiepot met mokken en een kookplaat; een koffiezaatapparet bestaat nog niet. Dus gaan we daar eens even gebruik van maken. Er klinkt gestommel op de trap en gelukkig zijn ze daar, de technici van Radio-Holland. Ze komen zeggen, dat ze het radiostation aan mij gaan overdragen. We testen alles: de zenders, de ontvangers, het Kelvin & Hughes MS-21A echolood, de radiorichtingzoeker, het Marconi Vigilant autoalarmtoestel voor de ontvangst van noodseinen, de accu's in de kist bovenop het stuurhuis voor de noodzender en noodontvanger en de radar, die een keurig plaatje van de Waalhaven en omgeving toont. Het testen stelt me gerust. Dit is een best schip en maakt leuke reizen naar de Middellandse Zee, ongeveer zes weken en daarna een week verlof; kijk het maar na in de radiodagboeken.
Met de technici van R.H. gaat de young lady van boord. Ik ga de eerste stuurman opzoeken voor een pilsie. Wij vertrekken al gauw. De grote portaalkranen aan de wal hebben hun kop omhoog gedraaid. De ruimen worden gesloten; eerst de stalen beams, dan daartussen de 10 cm. dikke houten luiken, dan de zeildoeken presennings tegen overslaand zeewater er overheen, vastgesjord met touw en als laatste worden de keggen tussen presenning en luikhoofd geslagen. Als alle vijf ruimen zeeklaar zijn en daarna 'voor en achter' gemaakt wordt, ga ik weer naar de brug om te zien hoe het er toe gaat en maak kennis met de aanwezigen. Kapitein Parlevliet is 34 jaar, nog een kwajongen, een zieltje zonder zorg. Hij maakt constant geintjes met Joop van Steijn, de eerste stuurman. Deze is ongeveer even oud als de kapitein en had ook al gezagvoerder moeten of kunnen zijn. Joop tilt één been op: "Zit me haar goed?" Dat belooft wat. Maar de havenloods eist aandacht. De zeeloods is er ook en die begint zijn taak als we op de Nieuwe Maas zijn. "Heeft u een rechtse of een linkse schroef? (draairichting). Hoeveel is full speed? Hoeveel steekt u?" (diepgang). "Rechtse schroef, 9 mijl en we steken 29 voet, loods." Als de stoomfluit gebruikt moet worden voor signalen naar de sleepboten, lukt het niet erg. Proestend en sissend wordt eerst de stoomleiding leeggeblazen. Er komt dus geen geluid, maar er spuiten onder druk stralen kokend water uit. Ik vraag me eerbiedig af of je er wel om mag lachen, maar zo groen blijk ik ook weer niet te zijn, want iedereen lacht erom. Uiteindelijk raakt de leiding schoon en komt er een schor geluid, dat langzaam aanzwelt tot een professionele stoomtoeter. Hè, hè! Dat heeft even geduurd. Bij al die gebeurtenissen leer je al gauw je hechten aan zo’n schip; het is tóch maar je woning. De ervaren sleepboten snappen het wel; ze wachten geduldig tot ze precies begrijpen wat onze fluit bedoelt en geven dan een signaal terug. Je zou je toch bijna schamen voor de buurt! Ongemerkt varen we al. Dat is het voordeel van stoom boven een motor met zijn getril; wat een luxe is dit! De met steenkool zwaarbeladen Stad Rotterdam schuift onder een zonnige hemel de Waalhaven uit. Haar voorbijtrekkende schaduw valt over de tientallen binnenvaarders, die naast elkaar of langszij van andere zeeschepen - door binnenschippers zeeboot genoemd - liggen afgemeerd, en onder het geweld van masten, schoorsteen en tuigage schijnen te verschrompelen, terwijl wij ons voegen in de stroom naar zee. Eenmaal op de Nieuwe Maas aangekomen, maken de sleepboten op een teken van de klaaglijke fluit los en liggen we slaags op de rivier (met de schroef slagen maken om verder op eigen kracht naar zee te varen), met achter ons de Euromast die sinds 1960 eigenwijs in de lucht prikt. De havenloods gaat van boord en de zeeloods neemt het over. Een steward komt naar boven: "Wilt u wat eten loods?" "Ja, graag." Met een bord voer in de hand en onder anecdotes over en weer, leidt hij ons met langzaam toenemende snelheid naar open zee. Het is ruim twee uren varen naar Hoek van Holland, als we stroom mee hebben, ongeveer drie uren bij stroom tegen.
Nadat de loods buitengaats via de loodsladder, die ter hoogte van luik 2 is opgehangen, door de 1e stm begeleid, verdwijnt, geeft de kapitein volle kracht. Tegelijk wordt op het achterschip de kilometerteller, ofwel het log te water gelaten. Het log is een klokje met telwerk, zoals in een auto. Aan de achterkant wordt een centimeterdik koord van 90 meter lengte aangesloten. Het koord gaat achter het schip te water. Aan het einde van het koord zit een as met vinnen, die vanzelf gaan meedraaien als het schip eraan trekt. Gevolg: het koord draait dus ook en drijft het telwerk aan. Het wieltje achter het log dient als een soort vliegwiel om de bewegingen van het schip op te vangen. Wat geteld wordt is alleen de vaart door het water, want stroom mee of tegen en wind mee of tegen zijn andere factoren. Aan het einde van elke wacht wordt het aantal zeemijlen (1 mijl = 1851,851 meter) op het klokje afgelezen.
De Stad Rotterdam 'stuift' met 17 km per uur in de richting van lichtschip Goeree. De dekwas wordt opengedraaid en al het gruis en stof wordt overboord gespoeld.
's Avonds aan tafel leer ik de overige officieren kennen. De tweede meester, de oude Nijs, is zo mager dat hij zelfs kan omvallen in zijn ketelpak. Niemand heeft kapsones; en zo hoort het op een oud schip uit 1943. Voor de verwarming zijn in elke hut en werkruimte radiatoren aangebracht, omdat het tòch een stoomschip is. Als die opgewarmd worden, gaat dat gepaard met luide knallen alsof in de naastgelegen hut een smid bezig is met een voorhamer. Het schip kraakt nogal in de ruwe zee. "Geeft niks", zeggen ze, "een krakend schip is er in een wip". Na het eten nodigt 4e wtk Verheyen mij uit voor een bezoek aan 'zijn' machinekamer; om te kletsen en zo. Het is een prachtig gezicht, zo'n open stoommachine. De Meester (oude bijnaam voor wtk's) geeft uitleg over de hogedruk- en de lagedrukketel, maar ik sta geboeid naar die dikke zware glimmende op en neergaande stangen te kijken. Je hoeft hier niet bij te schreeuwen. Het is een hele verademing, nadat je een machinekamer met motoren gewend geweest bent. Een olieman loopt alle smeerpunten langs, houdt zijn oliespuitje op en neer meegaand bij de glimmende bewegende stalen drijfstangen, kruiskoppen en knieën of hoe dat allemaal moge heten. Achterin de machinekamer zie je door een luik de glimmende 50 cm dikke schroefas zijn 106 rpm - rondjes per minuut - maken. Dit schip heeft geen vuurplaat en stokers, die steenkool opscheppen, zoals in oude tijden, maar oliestook. Verheyen neemt me mee naar de plek waar de olie met verstuivers en branders wordt ingespoten. Hij haalt er een uit en dan kan je naar binnen in het vuur gluren.
De avond valt over de Noordzee. Als gewoonlijk verzamelen de wolken zich in het westen, waar de stralen van de ondergaande zon een bergmassief met gouden toppen tekenen. Enkele uren later liggen de diverse stadjes langs de Engelse zuidkust als houtskool in de verte te gloeien. Regelmatig priemen vuurtorens door de duisternis heen. Om nul uur het aflossen van de wacht, met overdracht van de gegevens: koers, snelheid, positie van het schip, schepen in de buurt en het invullen van het journaal.
Ik heb een Philips 4-sporen 3-snelheden bandrecorder type EL-3542 bij Wezelman op de Hoofdstraat in mijn dorp Santpoort gekocht voor f.649, tweemaal mijn salaris, die het nog steeds goed doet. Na enig aandringen krijg ik het serviceboek er ook bij. "Ja, voor als ik eventueel op zee moet repareren." Dat begrijpt de man.
New in 1961, still going strong.
Omdat het schip 110 volt én gelijkstroom heeft heb ik een trilleromvormer nodig die er 220V en wisselstroom van maakt. Zo'n apparaat heb ik laten leveren door Rotterdam Shipstores, de leverancier van het schip.
Dikwijls stapt Joop van Steijn de radiohut binnen om mee te luisteren naar de onophoudelijke stroom morsetekens die uit alle richtingen de antennes van het schip bereiken en zich als een waterval uit het kleine luidsprekertje van de ontvanger storten.
"Wat een mooi vak heb je toch," zegt hij; "wij kennen het lampseinen en we moeten een radiobaken herkennen. Zeven woorden per minuut. Nou vaar ik al zo lang, maar ik kan nog steeds niet volgen wie nou wát zegt. Alleen Scheveningen herken ik vaak; die heeft zo'n scherpe toon, hè?" Dat klopt: PCH zendt op 501 i.p.v. 500 kHz en de opvallende toon die hierdoor ontstaat, onderscheidt zich van de andere kuststations, zodat Scheveningen Radio/PCH zeer herkenbaar is en boven alles uittettert; zelfs de stuurman valt het dus op. Op dat moment antwoordt GNF (North Foreland) luid seinend op de 500 kHz een schip dat verbinding met hem zoekt:
ULLB de GNF QTC2 UP 425 .... R UP (vertaald: ULLB - Russisch schip) dit is North Foreland Radio, ik heb twee telegrammen, kom op 425 kHz. .... Schip: begrepen, ik ga up)
"Die is hard," zegt Joop; "zeker dichtbij. Wat zegt ie nou?" Welwillend en me bewust van het feit dat stuurlieden tot slechts 7 luttele woorden per minuut op een fietslampje met batterijtje hebben leren seinen, wat velen snel weer vergeten, leg ik uit dat North Foreland, het kuststation van Londen, twee berichten heeft voor een Rus. "Ja, ik blijf het geinig vinden," zegt Joop.
Joop bewondert intussen mijn spiksplinternieuwe bandrecorder, het speelgoed waarvoor ik op de werktafel nog een plaatsje heb kunnen vinden. Als we samen de wacht hebben, draai ik de muziek die erop staat. In het stuurhuis fluit of zingt Joop luidkeels mee en vraagt soms om herhaling. Ria Valk met Rockin' Billy staat ook op zijn verzoeklijstje. Hij vindt alles mooi.
"Draai nog es van Annie de Reuver," lacht hij. "Dat liedje van Wenen." Ik spoel de band naar het nummer in het telwerk en voor de zoveelste keer klinkt de stem van Annie de Reuver, begeleid door Schrammelmusik met zo’n typisch citerachtig Weens snaarinstrument; een lekker walsdeuntje. Zoals gewoonlijk krijgt Joop de neiging om een dansje te doen en bij gebrek aan een romantische partner, maakt hij de lus om het gordijntje van de patrijspoort los en vlijt zich wiegend en walsend op de muziek tegen het doek. Het is te zot om aan te zien, maar we weten dat het maar een geintje is; dat scheelt.
We varen het betere weer tegemoet. De zon heeft er plotseling zin in. De komende dagen wordt het gehele schip met zoetwater gewassen. De witte bovenbouw wordt gesopt, opvallende roest wordt verwijderd en er worden grote blikken Sigma verf voorgaats gehaald. Normaal is het schilderwerk voor de matrozen, maar nu doet iedereen mee. Het blijft gelukkig rustig weer en de beruchte Golf van Biskaje is bijna zo vlak als de Kralingse plas. De zeegang is kabbelend tot licht golvend, deining 2 meter, zo vermeldt het scheepsjournaal. Een bezemsteel in het grote stuurwiel gestoken, dient om het schip rechtuit te laten varen, want ook de matroos-roerganger is met schilderen bezig. De kapitein, de marconist (ondergetekende) en de wtk's die geen dienst hebben, doen ook hun best. De stuurman van de wacht beperkt zich tot het schilderen van de brug en kan aldus doende voor het schip uit over zee blijven uitzien, om wèl op tijd voor een ander schip uit te wijken. Ook het schroefwater en het kompas houdt hij in de gaten, want een flauwe bocht is nog altijd de verkeerde richting. We willen er keurig uitzien als we Catania binnenlopen.
Radar onverwacht ingeschakeld: "En een scanner painten doe ik ook niet meer ..."
Radar switched on unexpectedly: "And painting a scanner I won't do never ever ..."
Verder naar het zuiden wint de zon geleidelijk aan kracht. We naderen de Portugese Noord, ronden Kaap Finisterre en hebben weinig moeite met oplopers en tegenliggers; ze vormen geen nautisch probleem voor de trage Stad Rotterdam, die als een meeuwtje op het water ligt en de deining met groot gemak en oorlogservaring verwerkt. Intussen blijkt dit een heel gezellig schip te zijn, vooral met figuren als de kapitein, Joop, 2e stm Ronald Schrijver, die later naar het KNMI (dir. Noordzee) zal gaan en de machinisten. Trouwens, de hele bemanning is tof.
's Nachts is het druk op zee. Een enorme sardinevissersvloot ligt op onze route voor de Portugese kust. Het lijkt wel een stad met al die lichtjes; gezellig. Voorzichtig passeren we de scheepjes. De tweede stuurman heeft er geen moeite mee; hij verstaat zijn vak en geeft regelmatig orders aan de roerganger. De volgende dag gaan we verder met schilderen. De kapitein heeft zin om met dit mooie weer voorbij Lissabon stijf onder Kaap St. Vincent door te varen. Zo kunnen we de vuurtoren daarboven en het klooster goed zien.
Zoals een ieder bekend, is een vuurtoren 's nachts te herkennen aan het karakter van het licht. Den Helder geeft 4 flitsen (flashes) in de 20 seconden, IJmuiden 1 in de 5, Scheveningen geeft 1 flessie in de 10, enz. De reikwijdte is gebaseerd op laagwater en staat in de zeekaart vermeld. De ooghoogte van de waarnemer aan boord kun je dan nog meeberekenen; daarom zat vroeger het kraaiennest in de mast; dat scheelt toch een paar minuten. We ronden de Kaap en schieten op een halve mijl langs de rotsen. Voor de zekerheid staat het echolood aan, maar de zeebodem loopt er steil omlaag; het is er diep zat.
Op 26 april 1961 arriveren we in Catania op Sicilië aan de voet van de rokende Etna. We blijven hier minstens 8 dagen; tijd genoeg om nu ook buitenboord de romp te bikken met de bikhamers en weer mooi zwart te maken. We hebben 9.420 ton steenkool aan boord voor de elektriciteitscentrale. Als de luiken open gemaakt worden stijgt er rook op uit de lading. Er blijkt broei in de steenkool te zitten. Geen paniek; met een brandslang wordt de boel nat gehouden. Het lossen gaat vijfmaal langzamer dan er in Rotterdam is geladen.
Aan het begin van de reis werd mij gevraagd de drank- en tabaksvoorraad van de vorige kok over te nemen. Dus zit ik met een winkeltje, ondergebracht in een lege hut. Dat is eigenlijk best wel leuk. Op vaste tijden gaat m'n winkeltje open. Ik verkoop bier, sterke drank, frisdrank, tabak, maar ook zeep van het merk Lifebuoy waarmee de matrozen hun handen wasten na vuil werk, tandpasta, snoep, veters, enz.; alles wat je in de haast kan vergeten van huis mee te nemen. Ik vang 5% over de omzet, wat in zes weken toch f.150 oplevert; dat is heel veel anno 1961. Ik houd boek en in Rotterdam komt de leverancier afrekenen en de nieuwe bestellingen bezorgen. De douane in Catania komt net als in de rest van de wereld direct na aankomst aan boord. De voorraad in mijn shop wordt geteld, maar eerst kopen ze zelf van mij 1 doos met 20.000 sigaretten tegen de dubbele prijs; geen 37 cent, maar 75 cent per pakje; een leuke extra winst voor mezelf. Voor de volgende reizen moet ik daar wel rekening mee houden, anders komen we zelf te kort!! We gaan een keer naar de bioscoop. De films zijn natuurlijk nagesynchroniseerd, dus verstaan we er geen barst van. Om je heen kijken is veel leuker. Kleine kindertjes lopen te spelen tussen de bezoekers door en de moeders zitten alvast voor thuis de groente schoon te maken en aardappelen te schillen ... plons ... plons.
Als we gelost hebben, varen we leeg naar Sagunto in Spanje. Dat ligt 40 km ten noorden van Valencia. Daar laden we erts langs een pier met aan de andere zijde het strand. Daar maak ik een wandeling met de 3e en de 4e stm die een uurtje vrij nemen. Het strand is verlaten, maar verderop naderen we een badhanddoek, een tas en nog wat spulletjes, waaronder een fototoestel. We kijken zoekend richting water om uit te vinden of er een eigenaar te zien is. En inderdaad, een dame bevindt zich in zee op toch wel behoorlijke afstand van ons. De 3e stm kijkt nog eens naar het fototoestel en komt grijnzend op een idee. "Als jij nou effe een foto van ons maakt", zegt hij tegen mij. Zo gezegd zo gedaan. Met veel voorpret gaan ze naast elkaar staan terwijl een van de twee zijn klok- en hamerspel laat zien. Ik bestudeer intussen de camera en vind het sluiterkopje. Er is haast bij, anders valt het de dame misschien op. Dan klik ik en leg de camera weer op zijn plek. Gierend van de pret wandelen we verder. De dame in zee heeft niets gemerkt. Als we na een tijdje terugwandelen is ze verdwenen. Wat jammer dat we haar verbaasde gezicht niet kunnen zien als haar filmpje vol is en ze de foto's heeft opgehaald en gaat bekijken: ¿Como? ¿Wie zijn dát nou?? ¿En wat zie ik nog méér?? .... hallo! ... (o nee:) olaaa!
In het dorp is een gezellig pleintje, waar je goedkoop wijn kunt drinken; ideaal toch? We kopen hele mandflessen met Muscatel zó uit het vat, voor aan boord en voor thuis. Het kost slechts 6 pesetas per liter, dat is 9 ct. Het komt ons zo langzamerhand de neus uit, maar we gaan er wel beter Spaans door spreken. Als je overal een o of os achter Engelse en Franse woorden plakt, kom je er makkelijk uit.
De tienerdorpsmeisjes worden door hun ervaren argwanende moeders op veilige afstand gehouden, als blijkt dat wij aan onze tafeltjes op het pleintje steeds verleidelijker worden door de vino. En aan boord drinkt de wachtsman van de Guardia Civil gezellig mee. Maar we moeten weer eens opstappen en na de Straat van Gibraltar, Biskaje, Het Kanaal en de Straat Dover, waar iedereen vanwege het eenrichtingsverkeer in rijtjes voortschuift, zijn we op 26 mei 1961 weer in Rotterdam.
DE GUARDIA CIVIL, 2E STM, 1E STM VAN STEIJN
AAN DE MUSCATEL (1)
MUSCATEL (2) IK, 2e STM SCHRIJVER, GUARDIA CIVIL
1 juni - 30 juni 1961
s.s. STAD ROTTERDAM
Kapt. Parlevliet, Katwijk. 1e stm Joop van Steijn, 2e stm Wessels, hwtk van Houwelingen, 2e wtk Verschoor.
Van Rotterdam met steenkool naar Napels. (12/6 t/m 15/6). Pompeï 13/6 bezocht. In ballast naar Melilla/Spaans Marokko (19/6 t/m 23/6) Met erts naar Rotterdam.
De komende reis blijf ik achter voor verlof en huwelijk. Kapitein Parlevliet en de officieren sturen een telegram en een groot boeket bloemen via de radiosurprisedienst van Radio-Holland.
18 aug. - 25 sept. 1961
s.s. STAD ROTTERDAM
Kapt. Vrolijk, Waddinxveen.
Van Rotterdam met steenkool naar Livorno (28/8 t/m 2/9)
In ballast naar Barcelona (4/9 t/m 15/9), met erts naar Rotterdam.
4e wtk Antonijs, is helemaal weg van mijn 3-snelheden 4-sporen bandrecorder. Voor hem moet ik er ook een kopen. In Livorno nemen we de trein naar Pisa om de scheve toren te zien. Het is maar een klein kreng, dat torentje; het valt niet eens op tussen de gebouwen die er omheen staan. In Barcelona bezoek ik een flamencoshow in een bodega. Op zondagmiddag gaan we eens zien hoe het stierenvechten in z'n werk gaat in de Arena Monumental op de Plaza de Toros. Het is een afschuwelijk gezicht, maar het went wel als de vierde stier het loodje legt. Als de toreador zelf wordt aangevallen vinden wij dat prima. We zijn dan wel de enigen die olé! roepen. De toeschouwers om ons heen kijken ons verstoord aan.
Een goed bekend staand koopvaardijkok is een zeldzaamheid, tenminste, als het om kookkunst gaat. Een scheepskok heeft in principe al tegen dat hij man is. Messroom en salon oordelen hard over een kok. Scheepskoks zijn geen huisvrouwen. Er komt geen melkboer, geen slager, geen groenteboer, geen kruidenier en geen bakker dagelijks aan de deur. Een kok is alles en allen tegelijk. Weinigen presteren het als vriend afscheid te nemen van de bemanning, die geheel aan hem is overgeleverd. En alsof de vrouwen thuis een voorgevoel hebben, vragen ze in hun brieven: eet je goed? Het schijnt hun voornaamste zorg te zijn. Ook onze kok, ene Leyte, een rond mannetje, kan 'niet heel goed' koken. Hij krijgt toenemende problemen met het goed bereiden van de maaltijden. Maar dankzij het feit dat het Haagse Kookboek niet aan boord is lukt het nog wel, hoewel de soep te waterig is, het vlees te taai, enz. Hij geeft de schuld aan de rederij; dat is ook eigenlijk wel zo. De hagelslagkorrels en de capucijners zijn stuk voor stuk nageteld, alvorens te zijn verzonden. "Die Kompenie laat het goedkoopste aan boord bezorgen en als ik wat bijzonders wil krijg ik het niet." Daarom vist hij naar andere complimentjes: de verzorging van de menukaart. In de kaartenkamer vraagt hij om verlopen zeekaarten, knipt deze in gelijke stukjes en tikt op de achterzijde het menu met een machine en carbonpapier, beide uit het jaar nul:
Eigenlijk is hij de beste kok die er is, het ligt niet aan hem, maar aan de Honger Lijn N.V. Veerhaven 2, Rotterdam, waar meerdere rederijen hun stekkie hebben.
Diverse gerechten hebben een bijnaam op de schepen: Taai vlees: Biefie de lomo, volgens overlevering afkomstig van een Argentijnse os, die wild over de pampas heeft gezworven. Macaroni heet vlampijpen, (de pijpen in een stoomketel). Pannenkoeken heten blinde kleppen (stalen klep om een kapotte patrijspoort te vervangen), danwel blinde flens wat weer slaat op de machinekamer; verschil moet er zijn, nietwaar? Ribkarbonade heet handvat. Blokjes knolselderij in de snert heet drijfijs. Andijvie: pruimtabak. Uitgebraden spek: rubber pakking. Niertjes: sijkfilters. Cervelaatworst: sterfopstraatworst. Wiener Schnitzel: steunzolen. Bami: lintworm. Gekleurde hagelslag: technicolour. Spruiten: gasballen. Snijbonen: scheermesjes. Bruine bonen/capucijners met spek, piccalilly, uitjes enz.: Hollandse rijsttafel. Als je genoeg gegeten hebt, lig je op je merk (max diepgang). En last, but not least, ter ere van de marconist heet Tyroliènne (erwten met worteltjes): punten en strepen.
Van Barcelona naar Rotterdam met erts. Voor de Hoek is het zeer mistig, maar we krijgen toch de loods aan boord. Er kan nu niets meer gebeuren ... Maar tijdens de vaart om 2 uur 's nachts komen we in mist met 25-50 meter zicht. Tussen de Hoek en Maassluis zit een oploper, de Spaanse Santo Domingo. Hij reageert niet op de oproepen van de walradar om vaart te minderen. Wij staan allemaal buiten op de brug met gespitste oren te luisteren of we hem al waarnemen. Dat is het voordeel van een stoomschip, het is veel stiller aan dek dan bij een motorschip. Bij langzame vaart horen we duidelijk het water langs de romp spoelen. Binnen werpt het radarbeeld een oranje schijnsel op het gelaat van de tweede stuurman. De contouren van schepen en de wal gloeien over het beeldscherm. Als de radarverkeersleider voor de zoveelste keer een kleinere afstand tot ons schip meldt - het is nu 200 meter - besluit de kapitein aan de stoomfluit te trekken. Even later wordt deze beantwoord met een luchtfluit; hardstikke dichtbij. Nu móeten we hem toch zien. Ineens is hij dwars van ons. Aan zijn navigatielichten is goed te zien dat hij een schuine koers vaart en op ons af komt. Hij is nog steeds niet op de VHF geweest. We begrijpen er niets van. Hij heeft toch ook een loods met portofoon? Is die soms defect? Wij kunnen niet stoppen vanwege de massa en het meegaand tij en er is geen ruimte op de Nieuwe Waterweg. We steken 30 voet en liggen laag op het water met 9.420 ton erts. We voeren twee rode lampen: Pas op! Ik kan niet of moeilijk manoevreren. De Santo Domingo raakt ons aan bakboord in het sloependek. Dat geeft een hels lawaai en gekraak. 3e wtk Nijs, toch al een wandelend geraamte, ligt in zijn hut juist onder dit dek te slapen. "Ik werd zo mijn nest uit gesmeten," horen we later van hem, bibberend en helemaal over zijn stuurtje.
Ondertussen zet de Santo Domingo door en snijdt met zijn hoge boeg onze stalen verschansing er af. Onvoorstelbaar hoeveel kracht zoiets in zich heeft. We staan gefascineerd, helemaal in trance en zenuwachtig lachend - want je kunt er weinig meer aan veranderen - te kijken naar al de vonken die in het rond vliegen bij het krijsende geluid van het scheurende staal, dat als een sardineblikdekseltje vanaf de midscheeps naar voren omkrult. Pas als beider ankers toevallig elkaar vastgrijpen, wordt het stil in de mist. Maar dat is maar even. Geroep en orders klinken van beide schepen. Nu snel peilen naar lekkage, maar er is geen onderwaterschade. De ankers laten elkaar met een harde droge pang! weer los. Je kunt op stroom niet wachten tot de politie langskomt en achter ons zitten nog meer schepen, die overigens wel gewaarschuwd zijn. De loods neemt contact op met de walradar en omdat we geen verontrustende schade hebben besluiten we asap (as soon as possible) door te varen alsof er niets gebeurd is. In de Waalhaven staan op de kade allerlei havenbobo's ons al op te wachten, als de Stad Rotterdam door sleepboten achterwaarts naar de kade wordt gezeuld. De familieleden die komen afhalen en er inmiddels ook van gehoord hebben staan lichtelijk ongerust te wuiven. De kapitein, de 1e en 2e stuurman en de loods kunnen voorlopig nog niet naar huis. Zij moeten een verklaring afleggen. We gaan eerst nog even de schade bekijken. De achterste bakboordreddingboot is geheel versplinterd; het sloependek is nu golvend en een meter hoger. Het is geen gezicht. Zo wordt het 25 september. Na het lossen van de lading en het laden van nieuwe steenkool, duurt het herstellen van de schade nog een extra week. We zijn dus mooi bij elkaar 15 dagen thuis. Johan Cruyff krijgt zoals gewoonlijk weer eens gelijk: elk nadeel hep z’n voordeel.
"Nou, we zullen nóg es ruilen!"
"My goodness, I'll never exchange your duty watch with mine again!"
10 okt. - 24 nov. 1961
s.s. STAD ROTTERDAM
Kapt. Visser, Vlissingen.
Van Rotterdam met steenkool naar Catania (Sicilië). In ballast naar Sagunto (Spanje).
Met erts naar Rotterdam.
Zoals gewoonlijk brengt een loods ons in Sagunto voor de kant. Of het nou aan hem ligt of aan het mooie weer, in ieder geval valt op dat hij bij het manoeuvreren wel erg vaak de machinekamer laat stoppen en starten. Zoiets kun je niet lang ongestraft volhouden, want je moet steeds starten op de luchtdruk of – in ons geval - stoomdruk die je hebt opgebouwd. Het duurt al wat langer en uit de schoorsteen hoor je bepaalde geluiden die aangeven dat het beneden niet zo vlot meer wil. En dus gebeurt het dat de machinisten die eerst als een bezetene trouw de loodsorders opvolgden, nu opbellen om te zeggen dat we het starten voorlopig wel kunnen vergeten. Er is geen druk meer. Dan maar een anker uit en wachten. Een klein koddig sleepbootje komt langs en een mannetje aan dek roept in het Spaans naar boven. Of we hem soms nodig hebben. Zou hij onder één hoedje spelen met de loods? Wat kost het?! We willen liever dat hij onze tros aanpakt en ermee naar de kade vaart, zoals de roeiers in Rotterdam. Dat vindt hij ook goed. Als we na een half uurtje weer genoeg stoom hebben, trekken we ons voorzichtig naar de kant. Het slepertje duwt dapper en onder loodsaanwijzing mee, in de hoop er toch nog iets aan te verdienen.
SAGUNTO ERTSPIER MET WAGON BOVEN DE STORTGOOT
30 nov. 1961 - 8 jan. 1962
s.s. STAD ROTTERDAM
Kapt. Visser, Vlissingen.
Van Rotterdam met steenkool naar Catania. In ballast naar Sagunto. Met erts naar Rotterdam.
Deze reis zullen we met de Kerst op zee zijn. Voor vertrek verschijnt een onverschillige matroos met een zware kist op z’n nek, zuchtend aan de hut van de bezige 2e stuurman en kreunt op z’n plat Rotterdams: "Wat mot ik hierjmee, stuurjman?” "Wat hebbie daarj dan?" "De kerjstkist, stuurj." "Pleurjt 'm maarj in 't hospitaaltje."
De rederijen geven aan het zeemanshuis een lijst van schepen die met de Kerst op zee zullen vertoeven, waarna diverse volkomen onbekende meelevende dames de kist vullen met presentjes en goede wensen. Het comité is er 's zomers al mee begonnen om ze nog op tijd aan boord te bezorgen en soms worden ze aan een ander schip meegegeven. De begeleidingsbrief gaat naar de Ouwe, die na een paar dagen bij me komt, omdat er een probleem is gerezen: "Zeg Sparks, in deze brief staat dat er een grammofoonplaatje in de kerstkist zit; die moeten we draaien, maar er is niemand met een pick-up." Inderdaad, op een schip kun je geen grammofoon verwachten. In de praktijk zal de zee niet glad genoeg zijn, of de deining doet het schip dermate bewegen, dat het geluid meer jankt dan goed is voor je oren. Je kunt het apparaat weliswaar op een plateau met rubber pezen en een springveer aan je plafond ophangen, maar dat is zo'n gedoe. Dan moet je steeds wegduiken als de pick-up naar je toe zwaait; wat op zich ook wel komisch is. Op het weerschip Cumulus, waar ik later op voer, was er iemand die dat had en het werkte nog goed ook.
Maar terwijl de Ouwe tijdens het gesprek naar mijn bandrecorder staat te staren, gaat ons allebei een lichtje op: Vóór de Kerst zijn we in Catania en ik stel voor het plaatje mee te nemen naar een winkel en het daar op een tape van mij te laten kopiëren. Met de derde stuurman ga ik er op uit. We ontdekken in een drukke winkelstraat een grammofoonplatenshop. Met armen en benen proberen we uit te leggen wat de bedoeling is. Dat lukt en hoewel de winkelier niet om klanten zoals wij zit te springen, sluit hij een pick-up aan op een taperecorder en kan het overnemen beginnen. Hij rekent uiteraard geen lire, wat zou je móeten rekenen. Als dank kopen wij ieder een plaat. Ik koop een langpaalspleet van Fats Domino met ijzersterke nummers en we zijn zo slim om deze ook maar gelijk op band te laten kopiëren, anders moeten we wachten tot we weer thuis zijn. Verderop in de straat koop ik een angoratruitje; nee niet voor mezelf. Dan is het Kerstfeest op Zee. De gehele bemanning wordt uitgenodigd om 10.00 uur plaats te nemen in de salon, alwaar zelfs een kerstboompje staat opgetuigd. Zij die wacht lopen worden later nog even afgelost, als ze er prijs op stellen. Ik begin met het uitreiken van de opgespaarde telegrammen van geliefden, want dat is het enige waardevolle waar je eigenlijk naar uitkijkt. De riedel van de koopvaardijpredikant op mijn tape recorder is het verplichte nummer, maar omdat enige flessen reeds geopend zijn, valt het best mee. Dan wordt de kist uitgepakt en in de blind wordt de inhoud verdeeld. Plakken chocola worden opgegeten, agenda's, zakkammetjes (waarom heten die niet hoofdkammetje(!) en balpennen in kontzakken gestoken en de bijbehorende briefjes met goede wensen gelezen. De hele gebeurtenis valt, naast de verjaardagen, meer onder de verzetjes dan dat er echt Kerst wordt gevierd. Het eigenlijke wachten is op de kerstmaaltijden, waarvoor de rederij even extra in de buidel heeft getast, en niet te vergeten kokkie Leyte en zijn maatje, die nu de kans krijgen het goed te maken.
17 jan. - 12 mrt 1962
s.s. STAD ROTTERDAM
Kapt. Visser.
Van Rotterdam met steenkool naar Reggio di Calabria/It. In ballast naar Pepel in Sierra Leone (W-Afrika). Met erts naar Rotterdam.
Op de eerste dag kan ik al weer naar huis, want het vertrek is een dag uitgesteld. Dus kunnen we thuis nog lekker een nachtje achter Kaap Kont schuilen.
Slecht weer
De zeebenen van 4e wtk Verheyen (l) en mij (r)
Tijdens deze reis ondervinden we zware stormen in Biskaje. De golven tuimelen, ingesloten door de zware deining, verward over elkaar heen. Het voorschip pikt herhaaldelijk paaltjes: het stijgt telkens boven water uit en smakt met een klap op de volgende golf. Het schip rammelt van voor tot achter. Ook als de schroef boven water komt en daardoor nog sneller door de lucht maait, lijkt het alsof we elk ogenblik uit elkaar kunnen vallen. De Stad Rotterdam weet het ook niet meer en schudt als een bezetene, als een hond die zich droogschudt wanneer hij uit het water is gekropen. De machine wordt nog iets langzamer afgesteld, maar wel druk op het roer houden en steken maar, met de kop op de golven en in de wind. In je halende kooi moet je je met handen en voeten schrap zetten tegen het beschot, dat onder normale omstandigheden als een kinderbed aandoet, maar nu die functie vervult. En dan maar proberen de slaap te vatten met een knie tegen het schot. De lading 'literatuur' in het boekenkastje dat voorzien is van de antislingerlat boven het voeteneinde, dus per sé niet boven het hoofd(!), blijft nog net veilig op zijn plaats. Spullen op het bureau waarvan je dacht dat ze met noodmaatregelen wel bleven staan, schuiven toch weg op het zeetje. Je blijft optimistisch, maar er is altijd wel iets vergeten goed op te bergen of klem te zetten, zodat het in sommige hutten een ravage wordt. Zie ook weerschip Cumulus.
Biskaje is 360 mijl van Ouessant (F.) tot Cabo Finisterre (Sp.). Met dit schip doe je daar 40 uren over. Nu wordt het 72 uren. Op de tweede stormdag rond 12 uur gluurt de zon even spottend tussen de wolken omlaag naar de getergde schare beoefenaren van de edele kunst der navigatie, die nú de kans grijpen en vanaf 1e, 2e, en 3e stuurman met de sextant, na enig balanceerwerk bij zwaar stampend schip op de bakboordsvleugel van de brug verwoed op haar beginnen te schieten. Loerend door het kijkertje en het gekleurde glas op de sextant, draaien zij het beeld van de zon op de rand van de kim ter bepaling van de middaghoogte. Het "Opgelet ... stop!" is niet van de lucht en ik sta standby bij de chronometer, een kostbaar relikwie in een met pluche beklede tijdmeterbak, en noteer de stoptijden van de schutters in minuten en seconden. De heren vallen in rangorde de kaartenkamer binnen, slaan aan het rekenen, raadplegen dikke geleerde boeken met tabellen - de Nautical Almanac - en toveren een middagbestek tevoorschijn. Als we achterom kijken kunnen we zelfs nog 'zien' waar we 24 uur geleden nog zaten. Dat komt omdat we een dag lang tegen de hoge zeeën in, richting noordwest gekropen zijn i.p.v. zzw. Dat kost te veel brandstof, zodat we i.p.v. Reggio, onze bestemming, eerst in Palermo op Sicilië moeten bijbunkeren.
In Palermo ligt sneeuw; “voor het eerst sinds 15 jaar”, zeggen ze trots. 's Ochtends vroeg bevinden we ons in de Straat van Messina tussen Italië en Sicilië. Je kunt er de Etna altijd zien roken. Reggio ligt ook aan de deze Straat. Over het smalste deel (5 km) is een bundel elektriciteitskabels opgehangen. Op afstand lijkt het alsof een schip er niet onderdoor kan; eenmaal varend onder het laagste punt blijken de kabels nog heel hoog te hangen.
Vlak voor aankomst Reggio meld ik me af op de 500 kHz. Scheveningen Radio/PCH pikt het ook op, want het is net licht en 'nog stil op straat'. Met zijn scherpe uit alle morsetekens herkenbare toon seint hij slechts: R TU (roger, thank you). Dat is naar mij, dat wéét je gewoon. Dat is ook het lollige van dit vak; goed verstaander, half woord aan beide zijden. Ik sein nog gauw: EU 0900 PCH3. (Ik luister naar uw eenzijdige uitzendingen op PCH3 om 09.00 GMT). OK krijg ik. Nu hoef ik niet in de kortegolf naar Scheveningen om dit aan te vragen, en in een haven is het verboden te zenden, behalve met VHF, ofwel marifoon. D.m.v. de EU van PCH kan ik nu telegrammen voor de kapitein, of voor een jarige ontvangen en na vertrek melden dat ik ze ontvangen heb.
Pepel, Sierra Leone. Een Westafrikaanse Staat met de hoofdstad Freetown. In Freetown gaan we de Sierra Leone-rivier op. Door een echt oerwoud varen we en nog behoorlijk snel ook. Er zitten veel bochten in de rivier en soms kun je als het ware verreikende boomtakken raken, maar de Engelse loods kent de rivier blijkbaar op z'n duimpje. Na twee uurtjes varen komen we op een open plek. Daar is een ertslaadinstallatie met een transportband:
De loods keert het schip 180 graden zonder sleepboten; een knap stukje werk
Zwarten komen met kleine bootjes langszij. Ze bieden voornamelijk fruit aan. Voor een pakje sigaretten heb je een stam bananen. Ik neem er een ananas bij; gelijk maar ruig doen. De overal aanwezige douane laat ons even handelen, maar dan is de pret over en moet alle tabak bij mij worden ingeleverd en opgeborgen in mijn winkel. Die wordt dan verzegeld, en pas terug op zee, mag ik het weer uitreiken. Je mag n.l. in een haven twee pakjes tabak en 1 liter sterke drank hebben voor 10 dagen. Zodra we onder de tip liggen begint de transportband met erts te lopen. De Stad Rotterdam die eerst hoog boven de wal uitgestrekt ligt, begint te zakken; slechts 12 uren duurt het. Onder loodsbegeleiding schuift ons diepgeladen vaartuig door de jungle tussen modderbanken en trekkende boeien weer stroomafwaarts, terug naar de Atlantische Oceaan.
… en de marc wist weer zo goed de weg naar boord terug …!
... and of course Sparks said: Trust me. I know how to get back to the ship ...!
17 mrt - 3 mei 1962
s.s. STAD ROTTERDAM
Kapt. Boog.
Van Rotterdam met steenkool naar Catania. In ballast naar Morphou (Cyprus). Met erts naar Rotterdam.
Kapitein Boog is reeds gepensioneerd, maar hij wil graag invallen; wie niet. In Catania doe ik weer mijn handeltje met de douane. Ik heb de knevels van de patrijspoort in de winkelhut losgedraaid en het gordijntje ervoor geschoven. Ze merken niets en als de deur verzegeld wordt, kan ik er van buiten door de patrijspoort nog in, om het een en ander te handelen met tabak en drank.
Van Cyprus hebben we geen vlag. Zelfs de vlaggenfabriek in Vlaardingen niet. Cyprus heeft sinds kort een nieuwe: een wit doek met daarop in het geel het eiland afgebeeld en met daaronder twee groene olijftakken:
Aangezien het land onder Engels beheer is geweest, moeten we ons maar behelpen met de Engelse vlag in de voormast. Het agentschap zal de nieuwe meebrengen. Met de kapitein en de hoofdwerktuigkundige 19/4 per taxi een rondrit over Cyprus gemaakt. Hoofdstad Nicosia bezocht. Morphou, waar we op 2 mijl uit de wal ten anker liggen, heeft slechts een ondiep haventje. Daarom liggen we voor het strand op de deining te rijen. De lichters komen langszij en kleven aan het schip. De lading zweeft nu dagenlang in volgeschepte mandjes aan onze gierende laadrepen om in onze ruimen leeggekiept te worden. Gelukkig is erts zwaar; de ruimen behoeven slechts voor de helft gevuld. Maar stel je eens voor: tienduizend ton met mandjes aan boord bezorgd krijgen. Soms wordt de zee te knobbelig, of de deining te hoog; dan verdwijnen de lichters terug naar het haventje, tot de zee weer wat rustiger is.
Dit schip bevalt me prima en ik wil er niet af, maar Radio-Holland beslist anders. Ik moet aflossen op de Stad Utrecht, een zusje van de Stad Gouda.


