21 juni - 29 juli 1962
m.s. STAD UTRECHT
REG: PHRP
Halcyon Lijn N.V., Rotterdam.
Gezagvoerder Jan Pet, Vlaardingen. 1e stuurman Vinke sr. 2e stm Jelle ... 3e stm Cees Stoop. Elektr. Jan van Beek.
Radiostation: zender TDE, ontvanger BX-925 en HL2-7U-PK, AAT Redifon, radiorichtingzoeker Plath.
Van Vlaardingen in ballast naar Vitória/Brazilië. 10/7 erts geladen. Naar de Kaap Verdische Eilanden voor brandstof. Dan naar Vlaardingen.
1972 schip verkocht.
Mijn bandrecorder gebruik ik zeer intensief. Midden op de oceaan voorzie ik iedereen van muziek op kabelradio. We hebben n.l. een centraal antennesysteem. Dat is om te voorkomen, dat iedereen een eigen antenne ophangt. Een radiopeiling kan n.l. beïnvloed worden als er extra draden hangen. In elke hut is een aansluiting met kabeltje. Mijn voorstel is dat de luisteraars de antennekabel in de pick-up ingang van hun radio steken en zo mijn muziekprogramma aangeboden krijgen. Dat werkt succesvol. Alleen als het tijd is voor Radio Nederland Wereldomroep, schakel ik het systeem weer in de oorspronkelijke toestand, zodat iedereen zijn radio normaal kan gebruiken.
We hebben evenals op de Stad Gouda een zeer moderne Plath visuele radiorichtingzoeker om radiopeilingen te nemen. In plaats van de bekende gekruiste antennehoepels op het stuurhuis zijn er nu vier draadantennes als een tentje gespannen, elk 90° uit elkaar en de ontvanger is voorzien van een beeldbuis, waarop het radiobaken van de wal gepresenteerd wordt als een ellips. Van de ellips maak je een streep en die wijst meteen naar de peilschaal. Bij het ouderwetse systeem met draaibare peilschaal (foto) moet je met de koptelefoon op en de wijzer in de richting van het luide signaal van het radiobaken, deze in tegenovergestelde richting draaien tot het signaal zwak of nul is. Dat is de richting van het baken.
Een radiorichtingzoeker is een systeem dat gevoelig is voor veranderende situaties aan dek. Tijdens het 2-jaarlijkse ijken moeten de laadbomen horizontaal op hun steunen rusten; dat is de normale situatie op zee. Er wordt een rondje gevaren met een radiobaken in zicht, b.v. Hoek van Holland seinpost (HH), IJmuiden vuurtoren (YY), of Scheveningen vuurtoren (GV) en de peilingen worden vergeleken met die op het kompas.
31 juli - 7 nov. 1962
m.s. STAD UTRECHT
Kapitein J. S. 1e Stm Cees Olij. 2e stm. Vinke jr.
In ballast van Vlaardingen naar Norfolk (V.S.) Met steenkool naar Rio de Janeiro. In ballast naar Vitória (Braz.). Met erts via Kaap Verdische Eilanden naar Vlaardingen.
Van de Vulcaanhaven in Vlaardingen gaat de reis naar Hampton Roads bij Norfolk/Virginia V.S. 13/8 geladen met bestemming Rio de Janeiro.
Het regent ook wel eens in Zuid-Amerika, al zou je dat niet verwachten na een prachtige dag op zee. Toch betrekt de lucht op de laatste avond voor Rio en vroeg in de avond plenst het, maar de zee blijft kalm. Het is hier snel donker. De uitkijk op de bak vraagt even weg te mogen, om een regenpak te halen. De radar staat aan. Op het scherm worden peilingen van de steeds scherper wordende bergachtige kust genomen en het echolood registreert ondertussen de diepte tot de zeebodem, die geleidelijk afneemt.
"Wil jij er even op letten, tot de vijftig vaamlijn, Sparks?"
Als 50 vadem (ca 90 meter) wordt aangegeven, meld ik het. Een kruisje met het tijdstip wordt op de 50-vadem stippellijn in de navigatiekaart gezet. Het komt vrijwel overeen met de radarpeiling. Het Kelvin & Hughes MS-26B is een prima echolood. Ik heb er al eens tot 1600 meter diepte mee gemeten. Weliswaar werd de echo steeds zwakker, maar de prestatie was goed voor het technisch rapport. Dan passeren we Cabo Frio. Nog zestig mijl te gaan. We zijn met z’n drieën op de brug. De eerste stuurman is om 20.00 uur afgelost door de derde, maar blijft nog even napraten, meet dan het restant mijlen met de kaartenpasser en verdwijnt naar zijn hut, maar belooft terug te komen als het stand by is, want de Ouwe vertrouwt hij niet meer; die is de laatste dagen steeds meer gaan drinken. Dan wordt het 00.00 uur en de tweede stuurman komt aflossen. Het is nog geen tijd voor standby machine, maar het zal niet lang meer duren.
De telefoon gaat. "Hoever nog, stuurman?" "Nog een half uurtje, kaptein." "Heb je ook gemerkt dat de Ouwe hardstikke blauw is?" vraagt de eerste, die inmiddels weer op de brug is verschenen."Ja, hij zuipt al sinds Norfolk," beaamt de derde; "dat kan wat worden." "Als hij dâlijk boven komt, blijf ik er bij. Je kan nooit weten," besluit de eerste. De kapitein moet gematst worden. Af en toe flitst er kort een licht op aan de verregende kust in de verte en maaien de stralen van een verborgen vuurtoren hardnekkig tegen de wolken, die ook de lichtgloed van de stad Rio de Janeiro vanachter de eerste bergruggen weerkaatsen. Ik heb vandaag van de agent in Rio een telegram gekregen, met de mededeling dat we minstens 14 dagen op onze losbeurt moeten wachten. Dat is voor de bemanning bepaald geen slecht bericht. Rio is een gezellige stad en het geld, de cruzeiro, is zeer goedkoop. De kapitein wordt gewaarschuwd en de machinekamer krijgt stand by. De Ouwe verschijnt, oriënteert zich en neemt zoals gewoonlijk stilzwijgend het commando over. Aan zijn praten hoor je dat hij niet fit is, zijn neus bevestigt dit nog eens te meer, maar hij veroorzaakt nog geen problemen. De regen is al weer opgehouden, de lucht opgeklaard en de sterren deinen weer langzaam boven het schip. Iets zuidelijker is nu op de top van de berg Corcovado, het verlichte Christusbeeld als een gloeiend kruis waar te nemen. Op de voorgrond de hotels langs de verlichte Copacabana boulevard, de Avenida Atlantico. De uitkijk komt in het stuurhuis en neemt het roer over van de automaat. Dan gaat de telegraaf op halve kracht. Bij het binnenlopen in het donker, zonder loods, vindt de 1e stuurman het verstandiger zelf de manoeuvreerorders te geven. De Ouwe laat het wijselijk aan hem over. We snappen toch al niet waarom de loods niet voor de haveningang aan boord gekomen is. Inmiddels zijn we door de flessenhals, gevormd door twee van een licht voorziene uitstekende punten kust, in de Baai de Guanabara aangekomen. De derde stuurman en de bootsman staan op de bak. Ze zijn standby anker. Terwijl ik de radar voor mijn rekening neem, waarschuw ik voor een eilandje recht vooruit. Het blijkt notabene onverlicht te zijn, terwijl er volgens de kaart een vuurtje op hoort te staan. De kapitein reageert nauwelijks, maar de eerste stuurman pakt zijn verrekijker nog eens en zorgt ervoor dat we daar niet aan de grond lopen. We moeten trouwens toch al langzaam tussen andere schepen door scharrelen voor een ankerplaats.
"Dit is wel een mooi plekkie" zegt de kapitein. Dat lijkt de 1e stuurman toch niet, maar het is al gebeurd. Voor hij kan ingrijpen heeft de kapitein aan de bak order gegeven het anker te laten vallen. De ketting loopt ratelend door het kluisgat en er stijgt zoals gewoonlijk een roestwolk op. Een ketting is net zo sterk als de zwakste schakel, maar hier is de gezagvoerder de zwakste schakel. De 1e stuurman stuurt de Ouwe naar de kaartenkamer en overlegt met de 3e op de bak; zo rap mogelijk weer ophalen, want we liggen niet evenwijdig aan de andere schepen. En prompt zwaaien we op stroom en wind achter ons anker naar een ander schip toe. Met machine en roer kunnen we gelukkig de minimale afstand handhaven. We zullen meer ruimte moeten opzoeken. Intussen nadert ook de jol met de loods. De kapitein gelooft het verder wel en zit op de bank in de kaartenkamer voor zich uit te staren. Ik vind het lullig voor hem en heb met hem te doen, maar kan het niet laten merken; ik ben ook maar de marconist. Als excuus verdwijn ik dan maar in de naastgelegen radiohut en laat de morsetekens uit de ontvanger mijn gevoelens camoufleren. Dit alles is een gevolg van veel te kort verlof tussen de reizen, waardoor hij zijn gezin mist. Zijn vaartijd tijdens de oorlog is hem ook niet in de koude kleren gaan zitten. Het verloftekort is trouwens de klacht van velen. Slechts drie dagen thuis na drie maanden op zee is toch absurd! Vier jaar eerder mocht zijn 8'jarige dochtertje Marieke meevaren met haar trotse pappa. Een reisje van Gent naar Narvik om erts te laden en terug. Ze vond het prachtig op zo'n groot schip. Een eigen hut, een eigen bediende, speciaal voor haar, voor prinsesje Marieke! Nu mist de Ouwe zijn kinderen. Logisch dat hij vaak niet goedgehumeurd is en zijn toevlucht zoekt tot het vierkantige 'vriendje'.
"Ja old man, die Ouwe van ons kan daar óók zo stronteigenwijs in zijn." - "Yea old man, our captain can be so self-conceited as well..."
We zoeken we onder leiding van de loods een ander plekje, voorzien van uitzicht op de miljoenen lichtjes van de stad en het Suikerbrood. Daar blijven we van schrik twee weken liggen, tot we aan de beurt zijn.
Een paar dagen later werkt het echolood niet. Afgezien van de regelmatige controle, wil ik gewoon uit nieuwsgierigheid weten hoeveel water we in de baai onder de kiel hebben. Volgens de zeekaart moet er voldoende water zijn om het te kunnen registreren. Maar in plaats van de diepte tot de bodem aan te geven, schrijft het vette zwarte strepen over de gehele breedte van het papier; dan moet er ergens kortsluiting zijn. De schrijfstift werkt namelijk elektrisch en brandt de diepteaanwijzing in het papier pas op het moment dat de echo van de zeebodem binnenkomt. In de verte ligt de Stad Vlaardingen aan de kade. Die heeft al VHF; wij niet. Dus pak ik 's avonds op de brug de seinlamp en probeer op de aloude ambachtelijke wijze antwoord te krijgen. Na een tijdje reageren ze. Collega Tangkau aan de 'lijn'. Ik ga met hem overleggen wat ik met mijn echolood zal doen. Hij heeft toevalllig ook de Kelvin & Hughes MS26B; dat is mooi. Dan neem ik mijn onderdeel mee om te zien of hij dan dezelfde storing krijgt. Ondertussen vertrouwen de autoriteiten aan de wal het geknipper kennelijk niet. Er komt een politieboot aangestoven, vaart om ons schip heen en spoedig krijg ik bezoek op de brug van de kapitein en die lui. Of ik contrabandeconnecties heb.... Na een tijdje geloven ze waarom ik met de Stad Vlaardingen sein, gewoon, omdat wij geen marifoon hebben. Ja, morse met de lamp blijft leuk!
Met een bootje dat de dienst onderhoudt op alle schepen in de baai, ga ik de volgende ochtend met een unit uit mijn echolood naar mijn collega. Ook hij krijgt nu dezelfde storing; deze blijkt in 1 punt van een 5-polige stekker te zitten. Door een bypass aan te leggen repareer ik mijn echolood. In Rio moet ik een onderdeel voor mijn bandrecorder kopen. Dat is het schoteltje met de as waar je de tape op legt, net als bij de latere cassetterecorder. Van de vinnetjes waar de bandspoel overheen ligt is er door het intensieve gebruik één afgebroken en de andere twee zijn ook onbetrouwbaar. Er zijn genoeg reclameborden met Philips, maar het valt niet mee de goede zaak te vinden. Uiteindelijk vraag ik het adres van de technische dienst aan de scheepsagent. Het is een tijdje zoeken, maar het lukt. Ik heb weer een nieuwe spoelschotel voor de recorder en een reserve.
Op 16 september zijn we eindelijk gelost. De 23 dagen in Rio zijn een ramp voor de kapitein gebleken. Hij is behoorlijk ziek van de jenever en zoekt helemaal geen ontspanning. Maar bij vertrek staat hij natuurlijk uit hoofde van zijn functie toch op de brug en vlak nadat de loods ons van de kant heeft gebracht en van boord is gegaan, komen we bijna in aanvaring met het veerpontje uit Niteroí. De loods wist ons nog te vertellen dat het vliegdekschip Karel Doorman onlangs hier was en bij het afmeren een havenkraan omver gevaren heeft. Het vliegdek stak te ver over de kade. Polygoon was ook aan boord en filmde de hele toestand, maar het mocht niet in de bioscoop worden vertoond!! De volgende dag gaan we voor anker op de rede van Vitória. De kapitein wordt nu officieel ziek gemeld door de eerste stuurman. Die zal het gezag overnemen en de kapitein wordt 'verboden' op de brug te komen. De beste man heeft er ook helemaal geen zin in. Via Scheveningen Radio wordt ook nog de arts, dr. Kuiters van de Radio Medische Dienst van het Rode Kruis te Den Haag telegrafisch geraadpleegd. Ook die vindt dat de gezagvoerder eerst naar een hospitaal moet. Een en ander wordt genoteerd in het scheepsjournaal.
De meeste schepen om ons heen zijn leeg en liggen net als wij, als een ballon op het water, achter de gestrekte ankerketting geleidelijk naar alle windstreken van het kompas te zwaaien en op hun beurt te wachten, terwijl onder de waterlijn gestaag een pokdalige baard van zeewier en mosselen aangroeit, alsof er in Rio nog niet genoeg was aangegroeid. Op de rede schijnt bijna niets te veranderen. We liggen op anderhalve mijl uit de kust doelloos te drijven onder de warme zon, als een mottenballenvloot. Traag bewegen de dekken op en neer op de maatslag van de oceaandeining die van een verre reis komt aangolven. Af en toe komt er een schip naar buiten en gaat er een naar binnen. Je ziet het machteloos gebeuren. Maar dan komt toch het verlossende woord van de agent via Vitória Radio/PPT en kunnen we na zeven dagen naar binnen.
Na overleg met de agent wordt de kapitein door de 2e stuurman, die als scheepsarts fungeert, met de taxi naar het ziekenhuis gebracht. Daar wordt hij opgenomen, want hij is niet meer van deze wereld. "Die gaat vast niet mee terug. Hij denkt dat hij nog aan boord is, in een andere hut," vertelt de tweede als hij terugkeert van het ziekenhuis. Ik vind het jammer. Hij is niet bij iedereen geliefd, maar ik kon goed met hem overweg. Je staat er niet bij stil, dat het voeren van het gezag over een diepbeladen schip in het midden van de oceaan, temidden van medewerkers, om persoonlijke redenen ook wel eens eenzaam kan zijn en vanwege zijn positie zal een kapitein nagenoeg nooit bij een mindere zijn hart uitstorten. In Norfolk regelde hij voor de kaartenkamer zelfs twee dozen met elk 24 blikjes diverse Campbell-soepen, uit eigen zak betaald, om des avonds of des nachts tijdens de wacht ervan te genieten. Dan kwam hij 's avonds ook op de brug om even te kletsen. Maar nu telefoneert de 1e stuurman in het kantoor van de agent naar de maatschappij in Rotterdam. Daar beslissen ze dat hij als plaatsvervangend kapitein de reis zal afmaken.
We zoeken 's avonds ons stamkroegje op. Er ligt nog een ander Nederlands schip in het haventje. De telegrafist ken ik reeds van 'onderweg'. Leuk elkaar nu eens in het wild tegen te komen en na afloop laten we elkaar het schip en vooral de eigen woonhut met het radiostation zien.
… dat had je misschien gedacht …? - ... in your dreams ... !
Terwijl ik het best naar mijn zin heb op dit schip, hoor ik van Radio-Holland dat ik een ander schip krijg: de Balong van de Maatschappij Nederland te Amsterdam, ook bekend als de Never Come Back Line. Die vaart op Australië, Indonesië en Zuid-Afrika. Ik moet naar Afrika vliegen om mijn collega af te lossen en blijf dan een jaar weg. Ik voel er niets voor, omdat ik getrouwd ben en echtgenote meevaren mag nog niet. Als ik vrij was had ik het graag gedaan. Consequentie: ontslag indienen. In de opzegtermijn krijg ik mijn laatste schip, de Alcor, voor een kustreis.


