DE VOORBEREIDING
Toen ik 12 was had ik nog geen idee dat ik marconist zou worden, alhoewel de uitslag van een psychologische test over beroepskeuze direct wees naar dit beroep. Het team van prof. Waterink trof een schot in de roos. Alleen wist ik dat niet; de uitslag werd door mijn ouders pas verteld toen ik naar de zeevaartschool wilde. Toch vond ik het leren van morsetekens al erg interessant en ook bouwde ik mijn eerste radiootje. Welke leeftijdgenoot herinnert zich niet de advertenties uit 1952-1955 van Maxwell waarin het zelfbouwradiootje Pupil werd aangeprezen:
De Pupil, het middengolfontvangertje met 1 buis 1S4, later DL92. (Maxwell, internet)
Inmiddels was het wel duidelijk geworden dat ik radiotelegrafist wilde worden. De radio van mijn ouders, een Philips NSF H15 uit 1938 (herhaal: 1938), die ik nog steeds heb, met LG/MG/KG en op de afstemschaal Jaarsveld, toen al op 747 kHz/402m en Hilversum op 1008kHz/298m; een zeer moderne superheterodyne met de rode E-buizen EK2, EF8, EF9, EBL1, EM1 en AZ1:
Dit radiotoestel was een onuitputtelijke bron van mysteries als het ging om verre radiostations in de kortegolf (Radio Bandoeng) en de tuffende morsetekens die je bij het zoeken tegenkwam, de vliegtuigen boven de Atlantische Oeaan die zich bij Prestwick meldden of geroepen werden d.m.v. het (nog altijd) tweetonige selective call (selcall) op 5625 en 8913 kHz. Ja, het zat er al dik in dat ik wilde gaan vliegen, of varen als radiotelegrafist. Na het MULO-B examen dus naar de opleiding:
September 1956, Radiotechnische School, Kleine Houtweg 31, Haarlem. Opleiding tot radio-officier ter koopvaardij. Ook collega Frans de Vries kreeg hier zijn opleiding.
Directeur: J.L.J. van der Werff. Leraar: Hans v. Wylick.
Vakken: radiotechniek, wiskunde, natuurkunde, aardrijkskunde, topografie, Engels, het Radio Reglement (Atlantic City 1948), het Verdrag voor de Beveiliging van Mensenlevens op Zee (Londen 1952) hoofdstuk 4: Het Radiostation aan Boord. Seinen en opnemen tot 22 woorden (110 letters) per minuut (examen 16 woorden per minuut).
Het was oorspronkelijk mijn bedoeling als radiotelegrafist te gaan vliegen bij de KLM, waarvoor je eveneens het internationale diploma nodig had, maar spoedig kwamen de berichten dat de vliegtuigtelegrafisten vanwege de ingeburgerde telefonie, met name op VHF, overbodig werden en al in mijn eerste schooljaar waren ze geleidelijk aan het verdwijnen.
De school was ondergebracht in een statig herenhuis. Op de begane grond woonde de directeur met zijn gezin. Op de eerste verdieping waren twee grote kamers als school ingericht. Onze klas bestond uit acht (?) jongens: Kees de Laat, Theo Diederich, Henk Kenters, Alexander Stel, Paul van Zon, John Reedeker en Louis Schuyt. Eén ervan, Sander Stel, kwam ik later weer tegen op Scheveningen Radio.
Leraar Hans was een beminnelijk en bescheiden man met bruine pretoogjes en met veel gevoel voor humor. Uiteraard was hij vroeger ook marconist geweest, maar als wij hem vroegen er wat meer over te vertellen, kwam hij niet over de brug. Er moest iets aan de hand zijn geweest, waardoor hij er liever niet uitgebreid over praatte. Een enkele keer kwam hij 's middags blauw op school en als de directeur, een Martin Schröderachtige figuur, die uitsluitend radiotechniek les gaf in het andere lokaal, zich even in de klas vertoonde, viel Hans wankelend en beschaamd door de mand en ging op vriendelijk aandringen van de baas maar naar huis, waarna die de les overnam. Hij scheen Hans als leraar niet te kunnen missen en zag het altijd maar door de vingers. Waarschijnlijk kende hij wel de persoonlijke achtergrond.
We mochten Hans zeer graag. De uitleg die hij toepaste bij radiotechniek was soms uiterst komisch en als we iets ingewikkelds toch nog niet begrepen begon hij geduldig opnieuw het fout uit te leggen, gevolgd door: "is 't niet zo?" Wij knikten dan bevestigend, waarop hij liet weten: "maar 't ìs niet zo!" zodat hij nu goed uitlegde, tot we het ineens door hadden. Natuurlijk vulden we lacherig het antwoord op de bekende vraag vaak zelf in en riepen alvast in koor: "maar 't ís niet zo!!" En soms zaten we er dan naast, want het was deze keer toevallig wél zo.
Seinen en opnemen kon hij als een machine en aan het eind van de opleiding was er niet één leerling die zou kunnen zakken op het examen.
Hans van Wylick, dir. van der Werff en echtgenote, feestje met school in Brinkmann (1959)
Aangezien er juist in die periode wereldwijd een schreeuwend tekort aan marconisten bestond, kon het gebeuren dat arbeidsbureaus de zeevaartscholen opbelden, met de vraag of er een leerling, die praktisch aan het examen toe was, zin had om in te vallen op een schip, meestal een buitenlands schip, dat lag afgemeerd in Amsterdam of Rotterdam, waarvan de marconist koste wat kost voor verlof naar huis moest, of ontslag had genomen. Onder voorwaarde dat je dan zo spoedig mogelijk afgelost zou worden worden door een gediplomeerde telegrafist, werd dispensatie verleend. Paul van Zon, een uitmuntende medeleerling die voor radiotechnicus studeerde en die helemaal niet van plan was om te gaan varen, maar de opleiding zo leuk vond en het er even bij deed, voelde er wel voor en werd dan ook aangewezen. Maar net toen hij op het punt stond met een Griek te vertrekken, was er een telegrafist gevonden en ging het uitstapje niet door.
Tijdens het tweede schooljaar kon ik als reservekracht dienst doen op Scheveningen Radio, gevestigd in IJmuiden tussen de sluizen. Voor het verhaal hierover zie het hoofdstuk Scheveningen Radio.
19 november 1958: In de schaduw van het Vredespaleis in Den Haag, ligt de Scheveningseweg. Op nr. 6 is de Inspectie Kust- en Scheepsradio in een oud herenhuis gevestigd. Hier werden de examens seinen en opnemen, voorschriften en radiotechniek afgenomen door gepensioneerde P.T.T.'ers. Zij konden op deze wijze nog wat bijverdienen, maar hadden weinig binding meer met de werkelijkheid. Bijna normaal was dat je de eerste keer zakte, omdat de heren veel radiotechnische dingen vroegen die al uit de tijd waren. De radiotechniek deed je dus vaak de das om, maar ik had schijnbaar mazzel en slaagde in één keer, zodat ik ter plekke het internationale Certificaat van bekwaamheid als Radiotelegrafist der 2e klasse (Certificate of Proficiency in Radiotelegraphy of the 2nd class) trots in ontvangst kon nemen. Het ziet er net zo uit als het rijbewijs; is van hetzelfde linnen, maar dan in het blauw.
Na een korte speech door de voorzitter van de examencommissie kon ik met twee vingers in de lucht de eed van geheimhouding afleggen, waarbij ik zwoer de geheimhouding te bewaren, geen onzedelijke taal uit te zenden en de openbare orde niet zou schenden. Ik kon, maar half luisterend, een glimlach niet onderdrukken; alsof ik juist voornemens zou zijn er een zooitje van te maken. Of het ook betrekking zou hebben op mijn gedragingen aan boord, of aan de wal, mogelijkerwijs zelfs te mijnent huize, is mij nooit duidelijk geworden; maar al met al toch een plechtig moment voor een schoolverlater. Ik belde direct naar huis en naar school, alwaar mijn verlossende mededeling als een donderslag bij heldere hemel werd betiteld. Dank U!
"... noch deze op enigerlei wijze bekend te maken ... "
Taking the oath ...
Het was nu zaak om een sollicitatie naar Radio-Holland in Amsterdam te sturen. Ik ontving een vragenlijst. Eén vraag leverde een probleem op: Bent U bereid eventueel voor twee jaar uitgezonden te worden? Daar zag ik tegenop. Ik was immers zo goed als verloofd en dan eventueel twee jaar van huis zag ik niet zitten. Dus vulde ik Neen in, waarop ik na korte tijd de lijst teruggestuurd kreeg met het verzoek er Ja van te maken, anders zouden ze me niet in dienst nemen. Aldus geschiedde en ik hoopte maar dat het nog wel een tijd kon duren, alvorens ik bij de Never Come Back Line zou 'mogen' varen.
" Je hebt nogal lang in de Oost gezeten, hè?"
"You have been quite a long time in Asia, haven't you?"
Voorafgaand aan mijn carrière op zee, kreeg ik met nog tien andere aspirant radio-officieren een praktijkopleiding:
1 februari tot 31 mei 1959. Praktijkcursus bij Radio-Holland in de Kerkstraat te Amsterdam. Leraar: de Graaff. Zakgeld f.150,00 per maand.
De Graaff vertelde trots dat zijn zoon Tom ook telegrafist was. Die voer als 5e radio-officier op het passagiersschip Statendam van de Holland Amerika Lijn en hij werkte tijdens zijn verlof ook op Scheveningen Radio als reserve.
Op deze cursus leerde je omgaan met de radio-installaties die op de Nederlandse schepen het meest voorkwamen. Ook aanverwante apparatuur, zoals diverse merken radars, radiopeilers, alarmontvangers voor noodseinen en echoloden.
Het echolood bv., is een deels onzichtbaar instrument op een schip. Behalve de recorder op de brug is er ook de zender die onbereikbaar in de dubbele bodem van het schip is geplaatst, en daarom om die reden wél zichtbaar op de cursus: aan het hoge plafond in de klas hingen twee 'lampenkappen', (de zender en de ontvanger) met eronder een houten plaat die de zeebodem voorstelde. Liet je de plaat zakken, dan werd het vanzelf 'dieper'. Het echolood gaf op de de recorder 6 voet 'water' in het klaslokaal.
Je leerde de meest voorkomende storingen verhelpen en enige handige tips werden genoteerd en in de oren geknoopt. Ook werd geleerd hoe morseverbindingen in de praktijk verlopen. Ik had al ervaring omdat ik door de school in Haarlem als invalskracht een soort stage liep op Scheveningen Radio. Maar ook thuis had ik op de 500 kHz (golflengte 600 meter) en in de kortegolf al veel morseverbindingen beluisterd, meegeschreven en me de typische kneepjes van het vak daarmee reeds eigen gemaakt.
20 februari 1959:
Aan de Geldersekade te Amsterdam zetelde dr. Klokke, die mij medisch goedkeurde voor Radio-officier Grote Handelsvaart. Al gauw uniformen gekocht bij de fa. Determeyer, Damrak, Amsterdam. En natuurlijk ermee naar de fotograaf gespoed om een portret te laten maken voor ouders en vriendin.
10 maart 1959: monsterboekje nr. Y-6159 bij de Waterschout in IJmuiden gehaald.
Na de praktijkcursus was ik vanaf 1 juni beschikbaar. Nu maar afwachten, tot ik bericht zou krijgen wat mijn eerste schip zou zijn. In die tussentijd liep ik reservediensten op Scheveningen Radio.


