was eigenlijk bestemd voor mijn klasgenoten van de Radioschool te Amsterdam.
Deze versie is iets aangepast, omdat u de namen van de
leerlingen en leraren toch niet kent, vandaar.
Het was een schitterende, zonnige dag in april 1958 toen ik voor ’t eerst kennis maakte met de heer Leijenaar en zijn assistent, op Keizersgracht 688. Die eerste ontmoeting, evenals dit adres, zal ik nooit vergeten. Ook Keizersgracht 562 staat gegrift in mijn geheugen: het Hoofdkantoor van Radio Holland. Al maanden van te voren was ik op zoek, samen met mijn ouders, naar een geschikte baan voor mij. Mijn moeder had op een gegeven moment een gesprek met het hoofd van de middelbare school in Aalsmeer, dhr. Dijkstra. Die had een leuk voorstel en adviseerde mijn moeder om mij naar de politieschool te sturen. Dit veegde ze in één klap ‘van tafel’, één in de familie was al genoeg, laat staan twee… Een oom van mij was n.l. in Amsterdam politieagent en was nou niet bepaald erg gezien in de familie, althans als agent, want dat was hij, volgens mijn tante, 24 uur per dag. Hij vond dat nodig met hun vijf kinderen…!
Maar voorlopig wist ik nog steeds niet wat te gaan doen als ik straks examen had gedaan voor de middelbare school.
Ik had één handicap: ik droeg een bril. Toen ik 13 jaar was, is men er achter gekomen dat ik bijziend was: alsof er een wereld voor me open ging toen ik mijn eerste bril kreeg! Dus varen, zoals mijn broer, een oom en een neef van mij, dat zat er voor mij niet in. Ik kon dus geen stuurman of machinist worden. Dit vertelde mijn moeder aan dhr. Dijkstra. “O”, zei hij blij verrast, “maar daar hebben we wel een oplossing voor hoor, hij kan wél als telegrafist naar zee, want je mag namelijk dan wel een bril dragen, mits niet te sterk”. Zie daar, dé oplossing van deze zenuwslopende zoektocht!
Een andere oom van mij, die personeelschef was bij Maarse & Kroon, een busonderneming in Aalsmeer, bood heel spontaan aan om met mij mee te gaan naar Amsterdam, naar Radio Holland. Mijn vader had door-de-weeks geen tijd om met mij mee te gaan in verband met zijn werk. Mijn oom wist wel van wanten en ik was toen echt nog zo ‘groen als gras’ en greep dit voorstel dan ook met beide handen aan.
We maakten een afspraak met dhr. Van Nas van Radio Holland, hoofdkantoor. We moesten ons dan maar vervoegen bij dhr. Leijenaar op de Keizersgracht 688, waar de Radioschool gehuisvest was.
Op de afgesproken datum en op het juiste tijdstip waren we op de plaats van bestemming aangekomen, maar nog voordat we op de bel konden drukken, werd de grote voordeur van het schitterende grachtenpand met een ruk opengedaan en vloog er iemand langs ons heen het bordes af en de gracht op. Een briesend klein mannetje stond in de deuropening. Dit bleek later de directeur van de Radioschool te zijn. En daar stonden wij dus, min of meer bedremmeld te kijken naar hetgeen er zich vlak voor onze neuzen had afgespeeld. Dat werd mijn eerste kennismaking met dhr. Leijenaar. Hij vroeg wat we kwamen doen en nodigde ons toen toch wel uit verder te komen.
Hij vertelde ons terloops, dat hij net iemand van school had gestuurd; die indruk hadden wij ook al gekregen.
En weer werd hij kwaad, toen hij hoorde dat wij een afspraak hadden gemaakt via het hoofdkantoor, met dhr. van Nas. Later bleek dit meneer Van As te zijn, maar die praatte nogal nasaal… Wist ik veel, die man had gewoon een hazenlip.
Schoorvoetend volgden wij de heer Leijenaar via een indrukwekkend, lange gang naar z’n kantoortje, waar een assistent wat tikwerk zat te doen. Ik vond toen al direct, dat die man op Yoto leek, de assistent van professor Lupardi uit de stripboekjes van Kapitein Rob.
Afgesproken werd, dat zodra ik geslaagd zou zijn voor de middelbare school, ik contact met de directeur zou opnemen. Afijn, alles werd toch via het hoofdkantoor geregeld en begin september 1958 werd ik leerling van de Radio-school, samen met nog een stuk of 24 andere leerlingen.
Als ik aan die periode terugdenk, komen veel herinneringen weer boven. Als tijdens een les, de directeur plotseling kwam binnenstormen, in zijn kielzog een of andere bobo van Radio-Holland of zo, dan brulde hij bevelend: “Staat!!!” en moest iedereen in de houding naast z’n bank gaan staan. We zaten toch echt niet bij de Marine of zo.
Nu is in deze tijd zoiets ondenkbaar, maar ja, je deed het. “Befehl ist Befehl!!”, die wet gold toen ook nog steeds.
Ontgroening
In die eerste periode werden wij ook door de tweedejaars leerlingen ‘ontgroend’. Prachtig was dat, als je daar nu op terugkijkt. Het werd een schitterende voorstelling in het centrum van de stad. We liepen verkleed op de grachten en op De Munt en kregen allerlei leuke opdrachten.
Het vakkenpakket
Het aantal vakken op deze zeevaartschool was betrekkelijk beperkt: seinen en opnemen waren naast de radiotechniek de belangrijkste vakken. Hoewel, Internationale Voorschriften moest je natuurlijk ook goed kennen. En wat te denken van Aardrijkskunde? Heel uitgebreid was dat. Niet alleen alle landen die aan een zee lagen moest je kennen, maar ook de havens, baaien, kapen en niet te vergeten alle kunststations van zo’n land. Zelfs de kabelverbindingen tussen de verschillende landen moest je weten.![]()
Onze leraar Engels, dhr. Van Spingelen, doceerde eveneens Maleis. Dat laatste was een prachtige taal vonden wij. Hij vertelde regelmatig leuke mopjes. Zoals dit korte mopje: “Twee Indische geliefden maakten aan elkaar kenbaar dat ze wel even wilden vrijen. Vraagt hij aan haar: “Mau?” en antwoordt zij: Eh, eh!”, wat zoiets betekent als ‘Wil je?’ en als antwoord: ‘ja, graag!’. De klas lag ‘dubbel’. We waren ook nog niet veel gewend natuurlijk als toekomstige zeemannen…
Eén keer in de week kregen we les in meteo en deze leraar gaf eveneens scheepskennis. Vervolgens kregen we wiskunde van een professor en volgens de heer Leijenaar ‘waren wij niet waard om z’n schoenen te poetsen’. Maar voor zover ik me kan herinneren is niemand dat ooit ook van plan geweest. Deze professor begreep maar niet waarom wíj het niet begrepen… Hij maakte vaak enorme deelsommen op het bord van héél véél getallen. Iedereen vroeg zich af wat je er midden op zee aan zou hebben. Wij simpele mensen begrepen daar niets van. En er was ook nooit iemand die ons dat duidelijk kon maken. Dus…?
De vrijdagmiddag
De vrijdagmiddag had vaak iets speciaals: de ene week kwam dominee Bodaan, de vlootpredikant, met ons een gezellig praatje maken. Ik vond dat persoonlijk een heel sympathieke man. Hij was ook de predikant die een paar jaar later het huwelijk van één van mijn klasgenoten heeft ingezegend. Een neef of achterneef van hem is nu lid van ons mannenkoor. De dominee had altijd een verhaal uit de praktijk met een stichtelijk woord erin verweven.
Op de andere vrijdag kwam dan een Portugese dokter een praatje maken over o.a. geslachtsziekten die je als jong varensgezel zo makkelijk kon oplopen in het buitenland. Deze verhalen gingen altijd gepaard met de prachtigste foto’s van de meest enge geslachtsziektes. Die dokter was een klein mannetje met een mooi baardje en een schitterende snor. Voor zover ik mij kan herinneren, heette hij dr. Rodriques Pereira, een naam die bij hem paste.
Het weekend
De meeste weekenden bracht ik studerend door. Als er door onze klas niet gecollecteerd hoefde te worden voor een of ander goed doel op zaterdagmiddag, was ik zo rond halféén ‘s middags weer thuis in Aalsmeer. Toen begon mijn weekend pas. Maar meestal zat ik dan ‘in de boeken’. Vooral techniek was voor mij een crime.
Seinen en opnemen vond ik fantastische vakken, met name ‘nemen’. Als ik bijvoorbeeld op zondagmorgen, volgens mijn vader dan, maar eens uit bed zou moeten komen, omdat het volgens hem gewoon tijd was, zocht hij op de radio in de kortegolf een mooi radiostation op dat morse uitzond – en toen had je er nog genoeg – dan vloog ik uit bed en begon beneden meteen te ‘nemen’. Ik vond dat fantastisch. En nu nog!
De “Utrecht”
Het gebeurde regelmatig dat ik zo tussen kwart over vijf en zes uur in de middag het nieuwsbulletin van Scheveningenradio zat te ‘nemen’; dit was om te oefenen natuurlijk. Deze nieuwsbulletins werden in morse uitgezonden voor de Nederlandse koopvaardijschepen, waar ook ter wereld.
Op een gegeven moment was er een hoofdstuk dat ging over de uitspraak in Amerika in de rechtszaak van de Nederlandse telegrafist Van Rie, die aan boord van het vrachtschip “Utrecht” van de Rotterdamse Lloyd de kinderjuffrouw Lynn Kaufmann zou hebben vermoord en over de ‘muur’ (railing, red.) zou hebben gezet in de buurt van Florida. In dit bulletin stond toen dat hij was vrijgesproken! Hij heeft later echter toch wel zijn ontslag van Radio Holland gekregen.
Toen ik in 1962 met de “Billiton” van de maatschappij ‘Nederland’ in San Francisco lag, lagen we naast de ‘Utrecht’. Ik kon mij toen die geschiedenis nog helder voor de geest halen. Ik ben die story nooit vergeten en de ‘Utrecht’ daar altijd enigszins op aangekeken, zo van ‘daar is een paar jaar geleden aan boord iets heel ergs gebeurd met een collega van mij en een kinderjuffrouw…’
De maandagmorgen
Na een weekend werd het toch weer maandagmorgen. Vanuit Aalsmeer kwam ik dan met de bus aan bij het Haarlemmermeerstation in Amsterdam-Zuid en ging daarna met tramlijn 16 naar de Vijzelstraat en stapte uit bij de Keizersgracht. Als broekie van 16 jaar was ik voor sommige oudere mannen wellicht ‘aantrekkelijk’, want ik merkte op een gegeven moment dat er een man z’n uiterste best deed om bij mij op het (open)balkon van de tram te komen en zo dicht mogelijk tegen mij aan kwam staan. Wist ik veel… Soms miste hij de tram en keek dan speurend rond of hij mij kon zien staan. Zo ja, dan rende hij zo snel hij kon achter de tram aan en probeerde alsnog op het balkon te springen. Soms lukte dat en soms ook niet, gelukkig! Dat kon toen nog allemaal. Op die open balkons mocht je geloof ik met niet meer dan 15 passagiers staan – behalve in de spitstijd, dan golden er blijkbaar andere regels. Soms stond je ‘als haring-in-een-tonnetje’ opeen gepakt en bij regenachtig weer stond je ‘opeen geplakt’. Nou vond ik dat niet zo erg als er wat vrouwelijk-schoon tussen stond, maar meestal waren het kerels.
Ik vertelde een klasgenoot van me, die op school naast me zat, dit verhaal van die ‘vieze vent’, en hoe vervelend ik dat vond, dus spraken we af dat hij mij een keer van het Haarlemmermeerstation zou komen ophalen en die vent ‘zou aanpakken’. Dat is ook gebeurd, maar ik weet niet meer precies of hij nou alleen kwam of dat er nog een jongen mee was gekomen. Deze knapen waren zo wie zo een kop groter dat ik én ze waren ook een stuk ouder. Ik was namelijk de op één na jongste van mijn klas. Maar goed, zij zouden mij, ‘die jongen uit de provincie’ wel even helpen… Van die ‘vieze vent’ heb ik daarna nooit meer last gehad. Maar zelfs nu weet ik nog precies hoe hij er uit zag. Noemen ze dát nou een jeugdtrauma?
Iedere maandagmorgen begon altijd in het portiek van de Apotheek op het hoekje van de Vijzelstraat en Keizersgracht, naast de boekwinkel van Grootes, waar we regelmatig onze schoolspullen kochten.
Maandagmorgen betekende ook vóór schooltijd een half uurtje sterke weekendverhalen aanhoren. Meestal waren dat de sterke verhalen van Frits, één van de oudste klasgenoten. Was ik daar dan jaloers op, omdat ik weer eens ‘in de boeken’ had gezeten, meestal het hele weekend? Denk het niet, maar ikzelf had nooit zoveel op te scheppen, dus luisterde ik alleen maar. Frits was me er eentje, hoor, die deed en durfde wat – vooral met vrouwen…!
In de beginjaren merkte je gewoon dat ik ‘uit de provincie’ kwam. Het ‘stadse’ was mij geheel vreemd. Als ik in Aalsmeer naar de bioscoop ging, nou dat was toen al wat. Je had er tenslotte maar één in het hele dorp.
Maar in Amsterdam was dat heel gewoon. En ’s avonds naar ‘de kroeg’ was in Aalsmeer niet voor te stellen. Dat was alleen voor een heel speciaal soort mensen, die ’s avonds laat altijd stomdronken uit zo’n café kwamen rollen of er soms werden uitgesmeten. Daar kon je je als zestienjarige toch niet tussen zien zitten. Dat was absoluut ondenkbaar. Zoiets deed je niet! Dat kon je je ouders immers ook niet aandoen. Maar bovendien, ik had daar ook helemaal geen behoefte aan. Dit waren blijkbaar toch andere cafés dan in Amsterdam.
Extra lessen en andere cursussen
Om de week gingen we naar de Heiligeweg, achter de Kalverstraat, om te zwemmen. Want je moest en zou minimaal twee diploma’s hebben vóór je naar zee mocht. Ik haalde daar mijn eerste diploma en het B-diploma haalde ik in Aalsmeer. Ik mocht in ieder geval naar zee, straks… ik had immers al twee zwemdiploma’s!
Typen was ook zoiets; we moesten ook ons typdiploma halen. Ik ben de school daar eigenlijk nog altijd ‘dankbaar’ voor; toen ik op de passagiersschepen van de Holland Amerika Lijn zat, moest ík meestal het Amerikaanse nieuwsbulletin ’s nachts nemen en dat ging altijd met zo’n ‘bloedgang’, dus was ik heel blij dat ik met een schrijfmachine overweg kon. Met de hand was dat niet meer bij te schrijven. En dan nu al die sterke zeemansverhalen typen, ook dat gaat me veel beter af dan schrijven. Ik haalde dit examen in ieder geval met een prachtige cijferlijst.
Ik zie dat mannetje nog voor me; hij kwam dan in een keurig grijs pak met z’n bestelwagentje voor onze school op de gracht staan, waar alle schrijfmachines inzaten. We moesten hem altijd even helpen de machines uit zijn auto te halen en na de les weer terug te brengen.
Intussen volgden we ook allemaal een cursus Spaans voor Beginners. Dit stelde echter niet zo veel voor, jammer. De tijd was veel te kort voor zo’n toch wel moeilijke cursus en het was niet verplicht, dus…?
Techniek![]()
De leraar die deze radiotechnieklessen gaf, was een vrij saaie man en zijn lessen vond ik oer vervelend. Hij dicteerde alles en je schreef je ‘wezenloos’ maar iets van praktijk om het duidelijker te maken, was er helaas niet bij. En juist dát heb ik toch wel gemist. Die theorie was vaak abracadabra voor me, en achteraf denk ik wel eens, als hij maar meer praktijk-voorbeelden had gegeven, zou het voor velen van ons een stuk duidelijker geweest zijn.
Maar goed, hij deed dat niet, alle verschillende onderdelen om bijvoorbeeld een zender samen te stellen, bleven achter slot en grendel staan en je bleef schrijven, eerst in het klad en thuis weer in het ‘net’. Dat was voor een paar jongens onder ons voldoende denk ik om het te leren en te begrijpen; dat gold echter niet voor mij. Ik moest het daarna toch weer bestuderen om het te begrijpen.
De examens
Na anderhalf jaar studie kwamen zo’n beetje de examens op gang. Een zenuwslopende periode brak aan. Ieder examen bestond uit drie delen. Ik mocht aanvankelijk nog niet bij de eerste groep meedoen: het tempo van mijn seinen was net niet voldoende (je moest 16 woorden per minuut kunnen seinen) en voor m’n techniek was ik ook nog niet klaar. Voor de andere vakken had ik wel ‘op kunnen gaan’. Wat m’n seinen betreft, ik zat vaak na vieren nog boven in het seinlokaal te oefenen.
En thuis leerde ik me rot aan de techniek, maar moeilijk vond ik het toch wel. ![]()
Gelukkig mocht ik wél in de tweede groep examen doen. Alles was prima, behalve de techniek. Ik zakte met een 4! Nu is het wel zo, dat men er in Den Haag, aan de voor ons beruchte Scheveningseweg 6, waar we examen moesten doen, andere maatstaven op na hielden: men ging maar tot 8. Verder tellen kon men daar blijkbaar niet. Ik heb dat altijd heel vreemd gevonden. Maar dat neemt niet weg dat een 4 gewoon ‘u bent gezakt’ betekende.
Mijn moeder moest de taart, die ze had besteld, afzeggen. Of dat nog kon zonder kosten weet ik niet meer. En misschien had ze die al lang in huis gehaald die dag… Ik zou het niet weten.
Techniek mocht ik drie maanden later toch overdoen. En dat lukte toen wel. Ik haalde een schitterende 7. Ik had mijn certificaat en ging naar de Praktijkcursus, en toen naar zee…!
De Praktijkcursus
Deze cursus werd gehouden in de Kerkstraat, achter de Keizersgracht. Eén van de hotemetoten daar was meneer de Graaff, een toffe vent. En ik heb daar toch wel het één en ander geleerd, moet ik zeggen. Eindelijk kreeg je echte zenders en ontvangers te zien, óók van binnen…!
Radio Holland had een ervaren telegrafist, dhr. Stumpel, gevraagd ons wat praktische kennis bij te brengen, van onder andere de telegramadministratie van Radio Holland. Tevens vertelde hij veel dingen van hoe het allemaal aan boord toeging, zowel op passagiersschepen als op zeeslepers en vrachtschepen. Hij kon werkelijk uren vertellen… Het was een meesterlijke vent die ook heel boeiend uit zijn eigen vaartijd kon vertellen. We genoten hier enorm van. Ik heb van hem toen heel veel opgestoken.
Eén verhaal herinner ik mij nu nog. Als hij met verlof zomers thuis was vroeg z’n vrouw hem wel eens om samen met het hele gezin een dagje naar het strand te gaan. Maar dan wilde ze wel hebben dat hij z’n uniform aan deed. Nou dat geloof je toch zeker zelf niet, want zijn weerwoord was dan: “Kan men aan het aantal kinderen zien hoe vaak ik met verlof thuis ben geweest, kijk wel uit!” Dat heeft hij dan ook nooit gedaan.
Mijn jongere broer, aangestoken door mijn enthousiasme vermoed ik, is een jaar of zeven na mij ook als telegrafist gaan varen. Zijn eerste reis als assistent wás met deze persoon uit Buitenveldert. Hij trof het beter dan ik op mijn eerste reis.
In december 1960 moesten we ook nog het sloepgastdiploma halen op het IJ. Ook dat lukte, maar ik herinner me dat het verschrikkelijk koud was in die sloep. Maar goed, iedereen slaagde, al of niet met vlag en wimpel.
Nu mocht ik toch echt gaan varen, op zee, maar moest toch nog wachten tot juni 1961 eer ik aan de beurt was.
Mijn eerste zeereis
In de groep die op de praktijkcursus zat, was ik de derde die toen in 1961 naar zee mocht. Niet voor twee jaar naar de Oost, maar gewoon als assistent-telegrafist eenvoudig beginnen in Amsterdam, bij de KNSM. Dat vond men blijkbaar beter bij mij passen, wie zal ’t zeggen hoe men daar toen over dacht en naar handelde. Het werd de ‘Willemstad’ met als chef telegrafist Karel van Druten. Zes weken uit en thuis.
Een ‘snoepreisje’ naar de West-Indies, Suriname en Brits Guyana. Vooral Trinidad maakte indruk op me. Voor een paar West-Indische dollars huurde je een taxi, mét chauffeur en ging je met een stel maten de hele dag het eiland verkennen. Schitterende stranden met palmbomen, heerlijk zeewater, lekker zwemmen en enorm gezellige mensen. Als broekie keek je je ogen uit. Dat je dat allemaal mocht meemaken, dat was toch fantastisch? ’s Avonds met een stel jongelui gezellig een biertje aan de wal drinken, kijken naar de limbodansers en danseressen en luisteren naar de schitterende muziek van de steelbands. Men maakte deze muziek op diverse maten oliedrums.
Tussen het winkelcentrum Alexandrium 1 en 2 in Rotterdam, zit nu nog vaak iemand deze heerlijke Caraïbische muziek te spelen. Dat is echt genieten!
Suriname
Paramaribo viel me een beetje tegen. Ik had daar een heel andere voorstelling van, dit was gewoon een grote nederzetting. Ik moet zeggen dat het er toen, vlak voor wij daar aankwamen, enorm had geregend. Dus alles was modderig en vies. Met mijn chef ben ik toen op de vismarkt geweest. Mensen, wat stonk het daar…
Madeira
Maar de eerste, echte mooie haven die de ‘Willemstad’ aan deed na vertrek, was Funchal op Madeira. Dat was zo’n belevenis voor me, aankomst in zo’n schitterend mooie havenplaats, dat ik mezelf beloofde dat ik daar op m’n huwelijksreis heen zou gaan. Maar, ik denk dat ik dan nog een keer met Paula moet gaan trouwen, want ik ben er echt niet meer naar toe geweest. Dus…?Na Funchal vertrokken we richting Lissabon. Heel kort hebben we daar gelegen en ik kan me eigenlijk alleen die enorme brug over de Taag nog herinneren. Prachtig.![]()
Toen de ‘oversteek’ naar de West-Indies. Het was zomer op het noordelijk halfrond, dus weinig of geen stormen, een rustig, kabbelend zeetje met af en toe wat vliegende vissen aan dek als de zee iets wilder was en natuurlijk de vele dolfijnen. Als je met het schip in een school dolfijnen terecht kwam, was het echt genieten. De stuurman van de wacht waarschuwde dan
de passagiers en als die dit dan hoorden, liep het dek helemaal vol en maakte men volop foto’s. Een ieder genoot van dit schouwspel. Ook het detachement soldaten, die allemaal beneden op dek in het zonnetje zaten, genoten hiervan. Er viel weer eens iets te beleven, want iedere dag op de shuffle-baan begon ook te vervelen.
En voor zover ik me kan herinneren, was er nog geen zwembad aan boord. Tenslotte was dit niet zo’n luxe passagiersschip als de schepen van de Holland Amerika Lijn. Dit was ‘slechts’ een vracht-passagiersschip, met een accommodatie voor 155 passagiers en dat behalve vracht ook een detachement soldaten voor Suriname vervoerde.
De eerste dag![]()
Mijn chef, lag in de sluizen van IJmuiden, nota bene vlak na vertrek uit Amsterdam, al in z’n kooi, ziek! En de reis moest nog beginnen. Dan voel je je als jongste broekie toch ook knap beroerd. Hij had namelijk die dag een cocktail-injectie gekregen. Voordat hij ging aanmonsteren voor deze reis moest hij nog gekeurd worden en de nodige injecties halen. Zelf had ik die al een poos van te voren gekregen en ik was niet ziek geworden.
De één heeft daar totaal geen last van en een ander wel. Iedere zeeman had in z’n monsterboekje ook een boekje voor de nodige injecties. De ene prik moest je ieder jaar halen en een andere om de vijf jaar. Enzovoort. Deze cocktailinjectie was tegen drie tropische ziektes. Maar goed, hij was er dus knap beroerd van.![]()
Dus toen we buitengaats waren, op zee, mompelde hij uit z’n slaaphut, welke naast de radiohut lag, “je meld je maar af bij Scheveningenradio, je zoekt het maar effe lekker zelf uit”. Tja, en daar zit je dan: ‘in ’t diepe gegooid’, noemen ze dat geloof ik. Maar ik had die zender en ontvanger al eens eerder gezien en wist toch wel hoe die werkten. Een goede lering was het wel. ‘Zelf uitzoeken en vooral zelf uitproberen’. Maar de eerste keer dat je zo’n seinsleutel aanraakt om je af te melden aan het kuststation, dat is toch wel heel spannend. Ik weet het nog goed!
Het ging gelukkig allemaal goed, ik kreeg keurig antwoord van Scheveningenradio en ze wensten ons een goede reis (allemaal in morse, natuurlijk) en tot ziens.
De kapitein bracht me toen een telegram voor de agent in het Engelse Southampton, de eerste haven die we aan zouden doen. Ik wist toen wel welk kuststation ik hier voor hebben moest: Nitonradio, met als roepletters GNI.
Over deze interessante materie zal ik nog wel eens een uitgebreider stukje schrijven.
Toen gingen we richting Golf van Biskaje. Tja, een heel berucht gebied. Het kan daar vreselijk ‘spoken’ maar dit keer was het volgens m’n collega’s aan boord een ‘vlak zeetje’. Zelf dacht ik daar anders over, want ik voelde me met het uur beroerder worden. Intussen was m’n chef al weer even op en zat – toch nog wel beroerd - achter z’n bureautje in zijn hut naar mij te kijken hoe of ik het allemaal regelde. Hij merkte ook wel dat ik steeds beroerder werd, maar het werk moest door gaan. Niet zeuren, gewoon doorgaan!
Tenslotte zat ik bijna over te geven achter m’n seinsleutel, waarop hij mij toesnauwde: “Duvel nu maar op naar je kooi, ik zal het zelf wel weer doen!” ‘Gelukkig’, dacht ik en ik naar m’n hut én naar m’n kooi. Alle mensen wat was ik zeeziek… dacht ik. Een tien minuten later – echt niet langer hoor – kwam Karel mij al weer uit m’n vette lappen halen: “Zo, lang genoeg gelegen, daar kweek je geen zeelui mee, kom d’r maar uit en aan je werk.
Je komt tenslotte aan boord om te werken”. Hij had intussen wel gezorgd voor wat scheepsbeschuit en dat moest ik dan maar opeten.
Toch moet ik zeggen, ik ben nooit meer zeeziek geweest…!
Wordt vervolgd
Johan de Geus



